Identiteit? Praat liever over binding

Geschreven antwoorden op vier vragen over identiteit, door de man die met zijn commissie een canon heeft opgesteld met de vijftig ‘vensters’ die iedereen die deel uitmaakt van de Nederlandse samenleving, zou moeten kennen.

Frits van Oostrom

Voorzitter commissie Canon van Nederland. Universiteitshoogleraar te Utrecht. President Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Heeft het zin te praten over Nederlandse karakteristieken?

Natuurlijk is er wel iets. Al eeuwenlang schrijven buitenlanders die Nederland bezoeken de inwoners van ons land bepaalde karakteristieken toe. Dat zijn dan ‘typisch Nederlandse’ zaken, bijvoorbeeld onze hoge graad van corporatisme, of, simpeler gezegd, het poldermodel. Die buitenlanders zuigen dat niet uit hun duim. Je kunt het ook omdraaien: stel dat ik zou beweren dat Nederland per traditie een land is van contrasten en extremen, dat Nederlanders exuberant zijn en gepassioneerde levensgenieters, dat hier een cultuur heerst van ‘winner takes all’, en dat we ons uitleven in vertoon van rijkdom en wellevend zijn in het verkeer – dan zou iedereen met enige kennis van zaken op zijn minst zijn wenkbrauwen fronsen.

Bestaat die dan toch, de Nederlandse identiteit?

Natuurlijk niet in de massieve zin des woords. Die karakteristieken betekenen niet dat er een zuivere, ondeelbare Nederlandse identiteit zou zijn – een identiteit die zich door de eeuwen heen zou hebben gevormd en die nieuwkomers zich in de volle omvang eigen zouden moeten maken, goedschiks of kwaadschiks. Toen wij vorig jaar de canon presenteerden, schreven we al: ‘Er lijkt trouwens alle aanleiding om het hele concept ‘nationale identiteit’ op de helling te zetten’. Zo het al ooit valide is geweest, dan nu minder dan ooit: in de internationale, multiculturele wereld van vandaag is het een bedrieglijk, ja gevaarlijk begrip.

Maar was die canon niet bedoeld om juist die identiteit te versterken?

Nee, onze commissie heeft de canon niet ontworpen als een vehikel voor vermeende nationale identiteit, maar als het tableau van de kennis die iedereen behoort te hebben van het land waarin hij of zij leeft. Die kennis is broos geworden. Maar dat is niet alleen het probleem van Fouad Ajgou, maar ook van Saskia de Vries – en niet te vergeten van hun onderwijzers. Dat tableau van elementaire kennis willen we herstellen met de canon. Over de noodzaak van gedeelde, vanzelfsprekende kennis over het land dat we samen bewonen, moet je open zijn. Ik ben het daarom niet eens met de WRR waar die schrijft dat een nationale canon de segregatie zou kunnen versterken. Integendeel: een canon sluit nieuwkomers niet uit, maar in. De canon kan juist bijdragen tot burgerschap. Zoals we in ons rapport schreven: ‘Kennis en begrip van hoe dit land zich heeft ontwikkeld, wat het aan waardevols heeft voortgebracht, en waar het in de wereld tot nu toe wel en niet voor heeft gestaan is een zinvol en verrijkend leerdoel, en verschaft de samenleving een referentiekader dat rendeert bij onderling verkeer en bij het als Nederlander opereren in de wereld.

Is ‘identiteit’ dan een term die voor verwarring zorgt?

De WRR stelt voor in plaats daarvan te praten over ‘identificatie’ met een land. Ik prefereer ‘binding’. Die binding berust dan op de beleving van gemeenschappelijkheid, en kent drie pijlers: een gemeenschappelijk territorium (de staat), een gezamenlijke taal en een gedeeld verleden. Het eerste is voor alle Nederlanders een gegeven, het tweede is terecht een essentieel doel, en het derde kan variëren, al naar gelang de afkomst, maar zal bij vrijwel iedereen ook niet-Nederlandse elementen of facetten kennen. Die doen geen afbreuk aan iemands identiteit, maar constitueren of verrijken die zelfs. Zoals vrijwel ieders persoonlijke identiteit, en echt niet alleen die van opvallende nieuwkomers als Máxima, een mengsel is, geldt dat a fortiori voor het karakter van een land. Zo ben ik zelf de kleinzoon van twee middenstanders die communistische fellow-travellers waren, een joodse slager en een katholieke Duitse vrouw wier broers in de Eerste Wereldoorlog sneuvelden, en ik ben qua uiterlijk nog nooit versleten voor een Nederlander – en ik ben er trots op te hebben bedacht dat elk kind in Nederland in aanraking moet komen met Annie M.G. Schmidt. Maar wie in dit land Annie zegt, moet ook Baruch durven zeggen – naar de beroemdste filosoof van ons land.