Honger naar welzwijn

In de Comfort Class-proefstal wordt onderzocht hoe het varkensleven min of meer comfortabel kan worden zonder de belangen van boeren en consumenten te schaden. Maar hoe test je het welzijn van varkens? „Mensen weten altijd wat beter kan. Bij dieren ontbreekt die reflectie.”

Diervriendelijke varkensstal in Raalte Foto Maarten Hartman 16082007. Noordlaren. Nederland. De varkens van Jelle Norden van de Oorsprong, een Ekologische boerderij lopen los in de wei.Foto Karel Zwaneveld boerderijen boeren biologische boeren varkens veeteelt Zwaneveld, Karel

In Raalte staat een stal. Die stal is niet zo maar een stal. In Raalte staat de Proefstal Praktijkcentrum Varkenshouderij. Daar leven varkens in een

stal, een klasse die ook in de luchtvaart wel wordt gebruikt: niet zo goedkoop maar rottig als economy, niet zo duur en luxe als business. Mutatis mutandis: niet zo rottig en goedkoop als in de reguliere varkenshouderij (bio-industrie), niet zo prettig en duur als in de biologische varkenshouderij.

De Comfort Class-stal in Raalte is een interessant gemengd initiatief van boeren, verenigd in de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO), de Dierenbescherming en de Universiteit Wageningen. Er wordt niet onderzocht hoe je varkens het beste kunt verwennen, maar er wordt wel uitgegaan van een min of meer comfortabel varkensleven. „Wat wij hier doen”, zegt onderzoeker Karel de Greef, dierwetenschapper innovatieonderzoek, „is behoeftegericht varkenshouden optimaliseren naar de praktijk.” Dat is een heel korte manier om een heleboel te zeggen. Om bijvoorbeeld te zeg gen dat varkens natuurlijke behoeften hebben, die we niet per se allemaal kennen of kunnen afleiden uit onze eigen behoeften en waaraan naar vermogen voldaan moet worden. Er is een soort basisbehoeftenlijst voor het varken ontwikkeld (zie kader), en in Raalte wordt onderzocht wat varkens belangrijk vinden.

Het is ook een manier om te zeggen dat varkens om maar één reden gehouden worden: om opgegeten te worden. Een varken dat niet groeit, of dat er verschrikkelijk lang over doet om te groeien, is een verliespost. Varkensboeren moeten het gezinsinkomen verdienen met het vlees van hun varkens.

En het is een manier om te zeggen dat er ook een consumentenkant aan de zaak zit: mensen moeten eten, en mensen willen de varkens graag gelukkig zien, maar mensen willen dat geluk niet per se in zeer hoge prijzen voor het varkensvlees omzetten. Er moet dus gezocht worden naar een balans tussen varkensgeluk, boerengeluk en consumentengeluk, tussen welzijn, inkomen en betalingsbereidheid.

„De behoeftebevrediging van de varkens is hier dus niet maximaal”, zegt Karel de Greef. „We zijn ook niet bezig om weer eens een nieuw systeempje te ontwikkelen, of een aparte vleeslijn, al duwen we wel met zijn allen in de richting van een soort tussensegment. Maar vooralsnog gaat het vlees van de varkens die hier gehouden worden, gewoon het reguliere circuit in en wordt voor dezelfde prijzen verkocht als ander varkensvlees.”

Dat betekent dat het welzijn geen buitensporig hoge investeringen zou moeten vergen – dan kost het varkenswelzijn de boer geld. Een aparte lijn – het woord ‘welzwijn’ is wel eens gevallen – tegen een meerprijs van zo’n 20 procent, zit er voorlopig niet in, maar op den duur misschien wel, denkt De Greef. Bij zoiets komt verschrikkelijk veel kijken, niet alleen de manier waarop de varkens gehouden worden, maar ook marketing, slagers die dat vlees willen verkopen en supermarkten die het apart in het schap willen leggen – het moet dus ook apart verpakt en geëtiketteerd worden en een eigen streepjescode krijgen – en daarvoor heb je ‘volume’ nodig: als je er niet zo’n twintig procent van de Nederlandse markt mee kunt bedienen is het geen haalbare kaart. De initiatiefnemers van Comfort Class gaan niet zelf zo’n ‘tussensegment’ op de markt brengen, zoals bijvoorbeeld supermarkt Jumbo wel deed met het ‘Jumbo bewust varkensvlees’. Ze hopen dat de principes van de Comfort Class-benadering geadopteerd worden door vleesverwerkers en supermarkten.

Realistisch

Dus vooralsnog produceert de proefstal regulier vlees. De kosten moeten goed in de gaten gehouden worden en men moet dus realistisch zijn in zijn verwachtingen. Naast de proefstal zijn er nog maar heel weinig ‘gewone’ Comfort Class-stallen, vijf om precies te zijn, en die boeren verkeren ook nog in de experimenteerfase en krijgen een subsidie van het ministerie van Landbouw. Zoals het nu is, neemt een Comfort Class-stal zo’n 10.000 euro per jaar uit het gezinsinkomen van een boer. Dat is veel gevraagd. Vooral, De Greef zegt het niet, maar je denkt het er gemakkelijk bij, omdat de burger op zijn beurt wel graag vertederd wil doen over varkentjes maar daar bij de vleesinkoop nauwelijks geld voor over heeft, en supermarkten graag klanten trekken met lage vleesprijzen. De stichting Varkens in Nood begon voor ‘het barbecueseizoen’ een actie tegen stunten met vleesprijzen in de supermarkten. Varkensvlees kost daar met ‘actieprijzen’ gemiddeld nog maar 4,50 euro per kilo, rekende Varkens in Nood uit. Daar moet een boer een varken voor onderhouden, huisvesten, verwarmen, te eten geven, de mest afvoeren, laten inenten tegen ziektes, hij moet er zeugen voor houden die geïnsemineerd moeten worden, biggen opkweken tot ze naar de meststal kunnen of dat gedeelte overslaan en gespeende biggen kopen. Varkensboeren moeten zo’n 4.000 à 5.000 varkens houden als ze uitsluitend van het vlees moeten leven. Dan telt elke cent die aan een varken uitgegeven wordt. En dan zijn de vleesprijzen belangrijk.

Ter vergelijking: varkensvlees uit de biologische varkenshouderij kost in de winkel zo’n beetje 15,60 euro per kilo.

Toch wilden de boeren niet meedoen met de actie, vertelt Varkens in Nood directeur Hans Baaij. „Wij hebben LTO aangeboden om samen tegen het stunten te protesteren, maar dat was niet te verkopen aan de achterban.”

Waaruit bestaat nu het comfort in de Comfort Class-stallen? De Greef laat de proefstal graag zien. Iedereen die wil kan trouwens in Raalte gaan kijken waar een grote skybox is gemaakt die uitzicht geeft op de varkens. Je kunt zien dat ze rondscharrelen, wat wroeten in het stro, voer trekken uit de wroetautomaten waar de brokjes tussen kettingen komen te liggen zodat ze ernaar moeten zoeken. Sommige varkens liggen in de aparte slaapnesten, anderen zoeken verkoeling door op de vieze mestroosters te liggen.

Varkens, zegt De Greef, hebben behoefte aan functiescheiding. Ze willen aparte ruimtes om te slapen, te spelen of te vreten en te mesten – het zijn zindelijke dieren. Toch liggen ze daar nu in hun eigen pies. Dat is vreemd. Ja, dat vindt De Greef ook. Hij snapt het wel, vanwege de koelte, maar of het echt niet anders kan, daar is hij nog niet achter. Dat wordt nog onderzocht.

Het is overigens helemaal niet erg heet in de stallen die open wanden hebben waardoor lucht en licht naar binnen komen. De varkens kunnen in de overdekte slaapnesten in het stro tegen elkaar aan gaan liggen als ze warmte nodig hebben en ook, als ze juist verkoeling willen, een soort neveldouches krijgen. In de slaapnesten zijn ze bovendien onzichtbaar voor de varkens in het speel-, vreet- en wroetgedeelte en dat is ook belangrijk, zegt De Greef, want dan kunnen ze zich terugtrekken bij ruzie. Zo’n beschutting biedt veiligheid. Varkens zijn dieren die een rangorde vaststellen, en dat gaat natuurlijk wel eens met schermutselingen gepaard. De varkens hebben hier variërend van 1,2 tot 2,4 vierkante meter per dier ter beschikking. Met ingang van 2012 is dat voor alle varkens vanaf 85 kilo in heel de EU verplicht, nu is dat vaak minder, zo’n 0,8 vierkante meter.

In de proefstal in Raalte is er door de functiescheiding en de ruimte de mogelijkheid voor de varkens om te wroeten en te spelen. Daarvoor moet er wel iets liggen om mee te wroeten en te spelen, stro bijvoorbeeld – en dat ligt niet in alle varkensstallen. Verveling is met gebrek aan ruimte één van de grootste problemen in de bio-industrie, daar is iedereen het wel over eens. Vaak worden daarom ‘speeltjes’ aangebracht: kettingen die naar beneden hangen, een bal om in te bijten. In Raalte heeft men verschillende kunstenaars opdracht gegeven om nieuwe speeltjes voor varkens te ontwerpen. Onlangs is de varkenswip in gebruik genomen. Het duurt even voor je weet of varkens dat écht leuk vinden, zegt de Greef. Het zijn nieuwsgierige dieren, dus iets nieuws trekt de aandacht, maar of het blijvend leuk is, moet afgewacht worden.

De verveling en het gebrek aan ruimte zorgen vaak voor verstoord gedrag, zoals het beruchte staartbijten of het knabbelen aan anderzwijns oren of zelfs het wroeten in de ook lekker bewegende buik van een soortgenoot. In Raalte hebben ze die problemen niet, al zijn sommige van de biggen, die van een ‘normaal’ bedrijf komen, al lichtelijk gestoord als ze binnenkomen.

Gezellig

Als bepaalde omstandigheden afwijkend gedrag gaan veroorzaken, kun je wel vaststellen dat die omstandigheden niet goed zijn. Maar hoe test je verder het welzijn van varkens? Dat valt niet mee, zegt De Greef. Neem bijvoorbeeld het uitbundige licht in de stallen. Wij mensen zijn geneigd om dat positief te waarderen. Veel licht. Fijn. Maar of varkens daar heel veel behoefte aan hebben is de vraag. „Als dierwetenschapper zeg ik: we weten het niet”, zegt De Greef. Het is wel duidelijk dat varkens behoefte hebben aan sociaal contact: als je een varken laat kiezen tussen een oncomfortabele ligplaats naast een soortgenoot en een comfortabele in zijn eentje, verkiest hij de oncomfortabele maar gezellige. Zo kun je ze allerlei keuzes voorleggen, en ook bijvoorbeeld proberen of ze voor sommige dingen moeite willen doen: zijn ze bereid een paar keer op een knopje te drukken voor verkoeling of warmte? Maar, zegt De Greef, het blijft uiterst discutabel, want een dier kan niet kiezen voor de langere termijn en kiest dus altijd voor directe behoeftebevrediging. Zo weten de onderzoekers bijvoorbeeld ook niet hoevéél sociaal contact varkens nodig hebben: is een groep van tien optimaal of is het nóg leuker als er 400 andere varkens zijn?

Voor de varkenshouders is dat niet zo belangrijk, zegt de onderzoeker, want door een aantal basisvoorwaarden te vervullen, met behulp van betrekkelijk kleine aanpassingen, kun je het welzijn al met 80 procent verbeteren. Hij denkt bijvoorbeeld ook dat uitloop er niet zo erg toe doet als je voor voldoende afleiding in de stal zorgt. „Maar dat is nog niet diep onderzocht.” Als we tussen de stallen doorlopen en langs de stallen komen waar de biologisch gehouden varkens zitten, valt op dat die allemaal buiten zitten, in hun uitloopruimtes. Dus denk je, als mens: buiten is voor een varken fijner. Maar anderzijds zijn de binnenstallen daar donker en lijkt het er wat saaier dan in de Comfort Class-stallen. Dus dan weet je weer niets. En, waarschuwt de dieronderzoeker, je moet oppassen met menselijke wensen toe te schrijven aan dieren: „Mensen weten altijd wat beter kan. Bij dieren ontbreekt die reflectie.”

Als allerlei boeren nu echt zelf Comfort Class-stallen gaan installeren, zijn we dan wat varkenswelzijn betreft een stap vooruit?

Ja, zegt Hans Baaij van Varkens in Nood. „Het lijkt me voor de dieren, even goed als de biologische stal . Die is toch ook vaak maar armoedig, met een kleine betonnen buitenbak als uitloop. Ik vond het in Raalte opvallend dat de varkens veel bezig zijn, al vraag ik me toch af of tachtig procent van de tijd rusten, wat ze doen, niet een beetje veel is, of dat niet toch een teken van verveling is.”

Ja, zegt ook Niels Dorland van de Dierenbescherming. „Comfort Class gaat uit van de behoeften van het varken en van de portemonnee van de boer, om het wat kort door de bocht te zeggen. Maar in de echte praktijk bestaat Comfort Class nog vrijwel niet, daar zie je hooguit dat boeren sommige elementen van het systeem adopteren.”

Echt buiten

De biologische boer die ik bezoek, Jelle Noorda van boerderij De Oorsprong in Noordlaren, moet er niet veel van hebben. Hij is op een totaal andere manier met varkenswelzijn bezig, en als je bij hem op het bedrijf rondkijkt, lijkt een Comfort Class-leven ineens een treurige optie. Want hier zijn de varkens buiten, echt buiten, in ruime weilanden – boer Noorda weet werkelijk niet hoeveel vierkante centimeter per varken ze hebben, tellen slaat hier nergens op. Ze hebben gewoon de ruimte. Ze hebben de mogelijkheid te wroeten. Volgend jaar wil hij de zeugen die niet drachtig zijn door een veld met voederbieten of aardperen laten lopen, kunnen ze zelf hun knolletjes opdelven. Temperatuursproblemen hebben zijn varkens ook niet – ze kunnen zichzelf verkoelen in de modder en de schaduw en de wind, en tegen elkaar aan gaan liggen in de overdekte ligplaatsen voor warmte. Maar dit zijn ook andere varkens, niet de bijna haarloze roze Nederlandse Landvarkens die in de varkenshouderij gebruikelijk zijn, maar de robuustere Duroc-varkens, die flink behaard zijn en een bruine tot soms bijna zwarte vacht hebben. Koffie-met-melk-kleurige biggen klimmen gillend van de pret over een zeug heen, of racen door het weiland. In de herfst hebben ze de schuur vol eikels, zegt de boerin, dat eten de varkens. „Ze moeten wel een darmstelsel hebben dat eikels kan verteren, dat kost natuurlijk ook energie en ruimte,” zegt Noorda, „net als die vacht.” Dus zijn varkens doen er wel iets langer over om dik te worden, dik genoeg voor de slacht. „We hebben een paar keer in de herfst eikeltjesham aangeboden”, zegt zijn vrouw. „Daar praten de mensen nu nog over.”

Noorda is van plan zijn zeugen nog maar één keer per jaar drachtig te laten worden, in de winter, zodat ze in het vroege voorjaar werpen. Want biggen in de winter hebben zoveel energie nodig om zichzelf warm te houden, die groeien niet. En het lijkt hem voor de zeugen ook rustiger om niet zo vaak jongen te hoeven krijgen. Nu is dat nog zo’n twee, drie keer per jaar. Minder kost natuurlijk wel geld, maar dat los je op, zegt Noorda, door de biggen veel langer bij de zeug te laten, misschien wel zo’n drie maanden. In de biologische varkenshouderij worden de biggen na maximaal 6 weken gespeend, dus van de spenen van de zeug gehaald, in de reguliere varkenshouderij al na 25 dagen. Dat geeft veel stress, soms zelfs een shock volgens de Dierenbescherming.

Hoe kan dat nu allemaal, dat andere boeren vierduizend varkens moeten houden onder heel strikt gelimiteerde omstandigheden, en dat hij hier een varkensverwennerij heeft voor zo’n tachtig tot honderd varkens en niet failliet gaat?

„Dat kan”, zegt Noorda, „doordat ik niet uitsluitend van dat lapje varkensvlees hoef te leven. We hebben ook koeien en schapen. Ik bespaar ook weer op sommige kosten, verwarming bijvoorbeeld, en de zeugen krijgen als ze niet drachtig zijn ook niet zo veel voer, dat is dan helemaal niet nodig.” En, zegt hij, er komt ook wat idealisme bij. Hij wijst op een big die ietsje kleiner is dan zijn broers en zusjes. Die had een breukje. Heeft hij naar de dierenarts gebracht.

Het vlees van De Oorsprong gaat via de biologische tussenhandel naar biologische winkels voor de reguliere prijs van biologisch varkensvlees. Biologisch vlees heeft maar een klein marktaandeel, zo’n 1,5 %.

Dat is precies het probleem, zegt Niels Dorland van de Dierenbescherming. „Daarom ondersteunen wij ook het initiatief van de Jumbo-supermarkten met hun ‘Jumbo bewust varkensvlees’. Het welzijn van die varkens is zeker lager dan dat van biologische varkens of varkens uit de Comfort Class, maar ze hebben wel wat meer ruimte en zaagsel op de vloer. Het is een poging om een tussensegment tussen het reguliere en het biologische of zelfs scharrelvarkensvlees te creëren, net als de Comfort Class. Voor de meeste mensen is biologisch te duur. Dan kun je wel blijven gillen: ‘wordt allen vegetarisch’ of ‘eet uitsluitend biologisch’, maar als dat nu eenmaal niet gebeurt schiet je niet op. Daarom hebben we ons beleid geïntensiveerd, en ondersteunen we initiatieven die het welzijn van het varken toch sterk verbeteren. Ook al is het niet optimaal.”

Dat sluit aan bij wat onderzoeker De Greef zegt. Dat er wel enige betalingsbereidheid is. Dat mensen best goed willen doen, maar dan moet het vlees wel makkelijk beschikbaar zijn en niet véél extra kosten. Vandaar de Comfort Class-stallen. Fijn voor iedereen.