Denk aan de zweefvlieg

Bescherming van planten en vogels bepaalt de keus voor natuurgebieden. Kijk naar andere soorten en stel andere prioriteiten, vindt promovenda Marieke Schouten.

Michiel van Nieuwstadt

Nederland richt nieuwe natuurgebieden in, maar vaak niet op de goede plaatsen. Zo krijgen de laagveengebieden van Noord-Holland en Friesland onvoldoende aandacht. De rijkdom en het grote aantal unieke soorten libellen, zweefvliegen, en mossen maakt dat dit gebied bijzondere bescherming verdient. Het is niettemin ‘slechts marginaal aanwezig’ in de plannen voor een Ecologische Hoofdstructuur: een aaneengesloten natuurgebied dat in 2018 tien procent van het oppervlak van Nederland zou moeten beslaan.

Dat concludeert Marieke Schouten in een studie naar de verspreiding van de Nederlandse biodiversiteit waarop zij gisteren is gepromoveerd bij de Universiteit Utrecht (Copernicus Instituut). Naast de laagveengebieden vond Schouten nog vier zogeheten hotspots die niet alleen rijk zijn aan soorten, maar ook veel unieke soorten herbergen: soorten die elders in het land niet voorkomen. Dat zijn de lössgronden in Zuid-Limburg, de duinen, de pleistocene zandplateaus op de Veluwe en in Drenthe en een omvangrijk gebied in het zuidoosten van Nederland (Brabant en het oosten van Overijssel/Gelderland). Ook deze gebieden vallen volgens Schouten niet optimaal samen met de inrichting van nieuwe natuurgebieden waaraan Nederland het komende decennium de voorkeur wil geven.

De Ecologische Hoofdstructuur is volgens Schouten ten onrechte vooral gebaseerd op de bescherming van planten en vogels. Ongewervelde diersoorten, amfibieën, reptielen en mossen zijn sterk ondervertegenwoordigd, dit ondanks de aandacht in de media voor een beperkt aantal zeer zeldzame soorten zoals de zeggekorfslak en de witsnuitlibel. Deze soorten genieten ook bescherming volgens de Europese Habitatrichtlijn. “Als je de doelstelling hebt om een representatief deel van de biodiversiteit te beschermen, dan moet je ook aandacht hebben voor andere dingen dan planten en vogels”, zegt Schouten.

Ze inventariseerde het voorkomen in Nederland van vijf groepen van in totaal 974 soorten zweefvliegen, libellen, sprinkhanen/krekels, reptielen/amfibieën en mossen. Het is voor het eerst dat deze uiteenlopende categorieën bijeen zijn gebracht in één overzicht van de Nederlandse biodiversiteit.

De vijf soortenrijke Nederlandse hotspots vallen volgens Schouten nog “ten dele” samen met gebieden die rijk zijn aan planten. “Maar inventarisaties van vogels laten een totaal ander beeld zien. De diversiteit aan vogels is doorgaans eenvoudig hoog in waterrijke gebieden.”

zuid-limburg

De gebieden met een grote diversiteit aan soorten hebben doorgaans een gevarieerd landschap. “Het zuiden van Limburg is daarvan een goed voorbeeld”, zegt zij. “Dit gebied is waarschijnlijk rijk aan soorten dankzij het reliëf.” Verschillende hoogteniveaus en hellingen die op verschillende windrichtingen liggen zorgen voor een veelheid aan biotopen. Schouten denkt dat in dit gebied ook relatief veel unieke soorten voorkomen, omdat de warme zuidhellingen nogal eens de noordelijkste plaatsen zijn waar een soort zich in Europa nog kan handhaven.

Schoutens inventarisatie biedt geen steun aan de klassieke hypothese dat gebieden met een hoge biodiversiteit ook productief zouden zijn, dat wil zeggen: veel plantenmassa produceren. Zij heeft daarvoor een eenvoudige verklaring: “Nederland is in de afgelopen eeuwen zo op de schop genomen dat je dit soort oorspronkelijke patronen niet meer kunt terugvinden. De arme zandgronden in het oosten hebben een lage biologische productiviteit, maar ze herbergen een grote rijkdom aan soorten. De rijke kleibodems in het westen produceren wel veel biomassa, maar die zijn juist soortenarm. Dat is te verklaren doordat boeren voor de landbouw en veeteelt bij voorkeur hebben gekozen voor de rijke gronden. Agrarische systemen zijn doorgaans armer aan soorten dan natuurlijke systemen.”

De Nederlandse zeekleigebieden komen uit de studie van Schouten naar voren als zeer soortenarm. “Maar die gebieden zijn niet per se inherent soortenarm. Aan natuurgebieden zoals het Kuinderbos in de Noordoostpolder zie je dat de soortenrijkdom weer sterk kan toenemen als het wordt beschermd.”

Schouten kon voor haar studie putten uit een grote hoeveelheid gegevens over de verspreiding van ongewervelden, reptielen, amfibieën en mossen in de periode vanaf 1820 tot nu. In deze twee eeuwen hebben natuurliefhebbers miljoenen waarnemingen vastgelegd met coördinaten van vindplaatsen: “Ik denk dat Nederland wat dit betreft buiten Engeland het best geïnventariseerde land ter wereld is.”

Dat veel soorten tot op heden buiten de boot zijn gevallen bij grote inventarisaties van de biodiversiteit komt volgens Schouten vooral door onwetendheid. “Vogels hebben mensen altijd al aangesproken. En de taxonomie ervan is beter op orde dan die van zweefvliegen. Dat geldt voor planten evenzeer. Die lopen bovendien niet weg. Maar het is duidelijk dat er een vrij grote overlap bestaat in de regionale diversiteit van de vijf groepen soorten die ik heb onderzocht. Als je de belangrijke delen van de laagveengebieden, Zuid-Limburg, de zandplateaus en het zuidoosten van Nederland weet te beschermen, dan heb je het merendeel van de biodiversiteit te pakken. Daarom zouden deze vijf gebieden centraal moeten staan in het Nederlandse natuurbeheer.”