De troepen die nooit naar Uruzgan kwamen

Nederland had geen goed uitgewerkt plan voor de missie in Uruzgan. De strategie van Defensie was afhankelijk van hulp van NAVO-bondgenoten - maar die hulp kwam niet.

De powerpoint-presentatie deed de wenkbrauwen fronsen. Het was juli 2005 – midden in de zomervakantie. Maar in een zaaltje op het ministerie van Defensie werd nog hard gewerkt. Onder leiding van directeur operatiën generaal-majoor Pieter Cobelens vergaderden militaire planners over een afgelegen gebied in Afghanistan waarvan op dat moment nog maar weinig Nederlanders hadden gehoord. De missie in Uruzgan, zo wisten de officieren aan de vergadertafel, zou de grootste krachtmeting van de Nederlandse krijgsmacht worden sinds Indonesië en Korea. Maar toen de planners te horen kregen met hoeveel militairen Defensie de operatie moest gaan uitvoeren, werd er bedenkelijk gekeken. Een officier maakte haastig een aantekening in zijn werkboek. „We gaan er in met maximaal 1.200 man”, schreef hij.

Achter de korte aantekening ging een ingewikkeld politiek-militair krachtenveld schuil. In 2006 zou de NAVO het gevaarlijke zuiden van Afghanistan overnemen van operatie Enduring Freedom, de ‘oorlog tegen het terrorisme’ onder leiding van de VS. Grote NAVO-landen als Duitsland, Spanje en Italië hadden bedankt voor het militaire avontuur. Alleen Canada en Groot-Brittannië wilden twee à drieduizend militairen sturen. Nederland werd de derde lead nation in de belangrijkste NAVO-missie ooit.

Maar was dat niet te hoog gegrepen? Anderhalf jaar later is Nederland in een lastig parket beland. Het kabinet moet binnenkort besluiten of Nederland na 2008 in Uruzgan wil blijven. Maar het gaat niet goed met de missie. Er zijn elf Nederlandse slachtoffers gevallen. Nederlandse militairen raken steeds vaker in zware gevechten verwikkeld met de Talibaan en komen overal handen te kort. Door gebrek aan militairen komt de geplande wederopbouw maar moeizaam van de grond.

De militaire planners op het ministerie van Defensie hadden dat voorzien, zo blijkt uit onderzoek van deze krant. Volgens een bron op het ministerie van Defensie werd tot zomer van 2005 uitgegaan van een zeer omvangrijke missie, die zou bestaan uit 2.500 Nederlandse soldaten. Een woordvoerder van Defensie zegt dat het slechts ging om een „inventarisatie” die uitkwam op „2000 plus” militairen.

Dergelijke aantallen waren politiek niet haalbaar, zo wist de militaire top. Nederlands hoogste militair, commandant der strijdkrachten Dick Berlijn, stelde na overleg met minister van Defensie Henk Kamp het ‘personeelsplafond’ van de Uruzgan-missie vast op 1000 à 1.200 manschappen. De Nederlandse krijgsmacht moest de missie tenminste twee jaar vol kunnen houden. Ook de enorme kosten van het uitzenden van defensiepersoneel speelden een rol.

Gesteggel over aantallen militairen is op zich niet ongebruikelijk. Maar dit keer was het verschil tussen de militaire wenselijkheid en politieke haalbaarheid wel érg groot. De plannen voor de missie moesten drastisch worden bijgesteld. De Amerikanen bezetten in Uruzgan vier bases: twee in de zuidelijke steden Tarin Kowt en Deh Rawood, en twee vooruitgeschoven posten in het noorden van de provincie: 'Cobra’ en ‘ Anaconda’. Aanvankelijk gingen de Nederlandse planners er van uit dat alle militaire kampen zouden worden overgenomen. Maar met 1.200 militairen was dat niet uitvoerbaar. De Nederlanders besloten daarom de 'Cobra’ en ‘Anaconda’ voorlopig te laten voor wat ze waren, en de Nederlandse troepen te concentreren in Tarin Kowt en Deh Rawood. Van daaruit, zo was het idee, zou het missiegebied van de Task Force Uruzgan (TFU) langzaam worden uitgebreid. Dat de 'inktvlekstrategie’ goed paste bij de klassieke militaire theorie over de bestrijding van een irreguliere tegenstander als de Talibaan, was mooi meegenomen.

Op 27 oktober 2005 adviseerde CDS Berijn positief over de voorgenomen missie in Uruzgan. Maar uit het vertrouwelijke militaire advies, waarvan deze krant kennis heeft genomen, blijkt dat Defensie het troepenprobleem aan de vooravond van de missie nog steeds niet had opgelost. In het advies werd de ‘inktvlekstrategie’ in drie fasen onderverdeeld. Maar alleen fase 1 - het bezetten van Tarin Kowt en Deh Rawood - kon met het 'personeelsplafond’ van 1.200 militairen worden uitgevoerd. Om de inktvlek verder uit te breiden en alle bases in Uruzgan te bezetten, waren honderden extra militairen nodig. Defases 2 en 3 van de inktvlekstrategie, zo schreef Berlijn, zouden alleen kunnen worden uitgevoerd met de hulp van een „relevante partner of partners’’. De versterkingen zouden moeten worden geleverd door de NAVO-bondgenoten. Welke bondgenoten dat zouden moeten zijn, vermeldde het militair advies niet. Binnen welke termijn de ‘volledige ontplooiing’ van de TFU over vier bases moest zijn voltooid, ook niet. In de brief aan de Tweede Kamer waarin de missie werd aangekondigd, werd de geplande uitbreiding van de inktvlek slechts summier vermeld. „Niet uitgesloten is”, schreef het kabinet op 22 december 2005, „dat de Nederlandse activiteiten (...) in noordelijke richting zullen worden uitgebreid.” Meer details konden er op dat moment niet worden gegeven, zo zegt het ministerie van Defensie nu. In het militair advies, zo zegt het departement, was immers „nadrukkelijk de mogelijkheid opengelaten” dat niet alle fasen van de inktvlekstrategie „zouden worden doorlopen”.

De Nederlandse strategie was dus gebouwd op onzekerheden. Hoewel er volgens Defensie met tenminste één „niet nader te noemen Europees land” is gesproken over deelname aan de TFU, bleek alleen Australië (geen lid van de NAVO) mee te doen met 200 genisten. Sindsdien hebben zowel Nederland als Australië versterkingen naar het gebied moeten sturen: niet om de inktvlek uit ge breiden, maar vanwege de verslechterende veiligheidssituatie.

Bijna 1.700 militairen heeft Nederland nu in Uruzgan. De kosten van de missie stijgen de pan uit. Defensie kan de missie alleen voortzetten als NAVO-partners bereid zijn een deel van de Nederlandse inspanning over te nemen. Maar de onderhandelingen daarover verlopen naar verluidt zeer moeizaam. „Er kan niemand weg. Er gáát niemand weg’’, zei de secretaris generaal van de NAVO, Jaap de Hoop Scheffer onlangs in deze krant. Maar op het ministerie van Defensie draait het om heel iets anders. Wie komt er bíj in Uruzgan?”