De Neus, Flipper, en de Piranha’s

In een wekelijkse rubriek over literatuur die wordt weerspiegeld door de actualiteit, schrijft Pieter Steinz over het proces-Holleeder en de Monty Python-sketch ‘The Piranha Brothers’.

Met de geheimzinnige dood van getuige Bram Zeegers, oud-advocaat en steunpilaar van de vermoorde vastgoedbaron Willem Endstra, bereikte het proces-Holleeder deze week een tragisch dieptepunt. Er was al heel wat gebeurd – en dan hebben we het niet over defecte hartkleppen of geweigerde ‘keukentapes’. Tweehonderd ordners strafdossier heeft justitie tegen Willem Holleeder en zijn negen medeverdachten opgebouwd, maar nog dagelijks zijn er verrassingen. De organogrammen van hoofdrolspelers en slachtoffers in de krant beslaan inmiddels halve pagina’s en elke dag lijken er doden bij te komen.

Wie volgt het eigenlijk nog allemaal? Ja, de rechtbankjournalisten die beroepshalve een poging moeten wagen om de getuigen, de verdachten en de zijdelings betrokkenen uit elkaar te houden – wat bepaald niet makkelijk is wanneer de handelende personages bijnamen hebben als De Neus, Flipper, De Ouwe, De Lange, De Allesweter en het duo Spic en Span. De meeste krantenlezers hebben het allang opgegeven en schrikken alleen nog wakker wanneer er iets werkelijk spectaculairs of absurds gebeurt. Zoals het optreden van John Wijsmuller, drie weken geleden, die ontkende te zijn afgeperst door Willem Holleeder.

Wijsmuller, bijgenaamd Tarzan, beschreef zijn oude zakenpartner als een toffe peer, en diens hand- en spandienaar Senol T. als iemand die geen geweld gebruikte: „Ik ben nooit geslagen.” Fans van Monty Python’s Flying Circus moeten onmiddellijk hebben teruggedacht aan een van de klassieke sketches van de Engelse comedyshow, ‘The Rise to Power of the Piranhas’, waarin een satirisch beeld wordt gegeven van de opkomst van van twee gevreesde criminelen in een Londense volksbuurt. Doug en Dinsdale Piranha worden volgens deze quasidocumentaire geboren (‘on probation’) in een straatje van East End, en richten al op jonge leeftijd een bende op die ze ‘De Bende’ noemen’ en die zich specialiseert in onconventionele afpersingsmethodes (‘they selected another victim and threatened not to beat him up if he didn’t pay them’) – waarna de technieken steeds rigoureuzer worden.

De televisie-interviewers doen hun werk goed en sporen verschillende slachtoffers van de Piranha Brothers op. Stig O’Tracey bijvoorbeeld, de man die met zijn oren aan de vloer werd genageld maar dat blijft ontkennen, ook al zijn er spijkerharde bewijzen van op een politiefilm. ‘Oké’ zegt hij, ‘het is waar, maar Dinsdale moest wel – ik had de ongeschreven wet overtreden.’ ‘Welke dan?’ vraagt de interviewer. ‘Dat heeft-ie niet verteld’, zegt Stig, ‘maar hij gaf me zijn woord dat het zo was, en dat is goed genoeg voor mij in het geval van die ouwe Dinsy.’

En zo gaat de sketch nog even door; een hoogtepunt van absurdisme in 1970, toen hij voor het eerst op tv te zien was, maar anno 2007 in de Amsterdamse rechtbank de praktijk van alledag. Zelfs de bijnamen van de geïnterviewden in de mockumentary zijn minder uitzinnig dan die van de Amsterdamse onderwereld in het echt. De werkelijkheid is altijd gekker dan je achter je schrijftafel kunt bedenken.

Reacties: steinz@nrc.nl