Zelfreflectie

Toen ik studeerde – begin jaren tachtig – was het met de beoordeling van studieresultaten eenvoudig gesteld. Haalde je een cijfer beneden de acht (of, voor minder ambitieuze studenten: beneden de zes), dan ging je kijken wat je fout had gedaan en hoe je dat een volgende keer zou kunnen verbeteren. Haalde je een cijfer tussen de acht en de tien, dan nam je aan dat je het goed gedaan had en dat was dan weer dat.

Deze simpele beoordelingslogica heb ik ook als docent jarenlang gehanteerd. Mindere studenten kregen een toelichting en tips, goede studenten kregen een krul of een enthousiast ‘Prima!’ op de kaft van hun essay.

Wanneer veranderde dat? Ik kan er geen jaartal meer op plakken, maar ik herinner mij nog de eerste zeer getalenteerde student die mij vertelde dat hij eigenlijk wel behoefte had aan ‘meer feedback’. Meer feedback? Met een negen? Wat wil je dan voor feedback hebben?

Geleidelijk drong het tot mij door dat ik te maken had met een vertegenwoordiger van een nieuwe generatie studenten, opgegroeid met spreekbeurten en kringgesprekken. Zevenjarige leerling houdt in groep vier een spreekbeurt over de cavia. Na de spreekbeurt volgt een heel ritueel. De juf zegt niet simpelweg: „Fijn gedaan Gijs, alleen jammer dat de cavia ontsnapte”, nee, tien medeleerlingen van Gijs mogen hun zegje doen over het gebodene. „Ik vond dat je heel goed uitlegde wat de cavia allemaal eet.” „Het was heel leuk dat je ook een beetje voer hebt meegenomen om aan ons te laten zien.” „Ik was wel een beetje bang toen de cavia ontsnapte.” „Ik heb ook veel geleerd over knaagdieren in het algemeen.” Enzovoort. Het is helemaal geen wonder dat Gijs, als hij derdejaars student is, meer wil horen dan „Prima!” en een negen.

Sinds deze eerste Gijs heb ik mij bekwaamd in allerhande adjectieven: pakkende opening, overzichtelijke opbouw, soepele schrijfstijl, helder verhaal, evenwichtig betoog, slim gekozen voorbeelden, mooie slotconclusie. Sinds deze eerste Gijs valt mij ook op dat de behoefte aan feedback en reflectie over ogenschijnlijke vanzelfsprekendheden niet alleen mijn studenten betreft. Het is een veel breder maatschappelijk verschijnsel. Talloze organisaties gaan tegenwoordig met hun personeel de hei op om mission statements te verzinnen: wat willen wij eigenlijk met ons ziekenhuis, ons verzorgingshuis, onze vmbo-school en onze drogisterijketen? Vroeger zou het waarschijnlijk niet bij ons op zijn gekomen (Wat willen we met een ziekenhuis, tja, nou eh.., zieke mensen beter maken?), maar we leven in een tijd waarin makkelijke vanzelfsprekendheden zijn verdwenen; een drogisterijketen hoeft zich immers niet meer te beperken tot hoestdrank, tissues en laxeermiddelen, zij kan zich ook gaan toeleggen op klassieke muziek, goedkope ziektekostenverzekeringen en het afdrukken van digitale foto’s.

Tegen die achtergrond is het ook passend en logisch dat we meer dan vroeger nadenken over onze nationale identiteit, zoals Paul Scheffer bepleit in Het land van aankomst. Wat Nederland is, is niet langer vanzelfsprekend. We hebben behoefte aan een mission statement en soms denk ik dat we eigenlijk behoefte hebben aan positieve feedback. We laten ons niet meer afschepen met dooddoeners van het genre ‘Je hebt toch al een negen? Ga nu maar weer gewoon aan je werk.’ De stroom van immigranten die zich sinds de jaren zestig hier heeft gevestigd, heeft ons aan het twijfelen gebracht, door vragen te stellen, door mee te willen doen, maar niet te weten hoe, door nadrukkelijk anders te zijn en anders te blijven.

Wat is dat eigenlijk, de Nederlandse identiteit? Scheffer wijst op een aantal kenmerken van de Nederlandse politieke cultuur: de Nederlandse taal, waar we niet badinerend over moeten doen, ook al heeft niet iedereen een hoge pet op van de Nederlandse letteren. Wij kunnen in onze moedertaal nuances aanbrengen, ironie laten doorklinken en grapjes maken, waar ons Engels niet goed genoeg voor is. De Nederlandse traditie van overleg en samenwerking, waardoor we vredelievend zijn, maar die er ook toe leidt dat we conflicten niet aangaan en problemen negeren, en die we in onze toekomstige identiteit volgens Scheffer minder sterk moeten aanzetten. De Nederlandse consensusdwang, die ertoe leidt dat we eerst met z’n allen een hele tijd a zeggen en vervolgens met z’n allen omzwaaien naar b, op een paar dissidenten na, die dan ook meteen voor gek worden versleten; een element van onze identiteit dat misschien ook aan heroverweging toe is. Scheffer vindt de recent ondernomen pogingen om een canon te maken van de geschiedenis ook goed passen in die trend.

Voor traditionele Nederlanders, die hun vaderlandse identiteit nooit hebben hoeven verwoorden, is dat ongetwijfeld wennen, zoals het ook wennen is om te expliciteren wat er precies goed is aan goede prestaties en om hardop te moeten nadenken over de zin van een ziekenhuis. Maar het kan best. Aan mission statements over het ziekenhuis of de universiteit zijn heel veel mensen zonder problemen gewend geraakt (ik moet bekennen dat ik zelf nog niet tot die groep hoor, maar ik ben hierin echt een uitzondering). Een beetje zelfreflectie over het Nederlanderschap zou goed voor ons zijn, daarin heeft Scheffer helemaal gelijk.

Paul Scheffer, Het land van aankomst, De Bezige Bij, Amsterdam 2007.

Eerdere columns van Margo Trappenburg op www.margotrappenburg.nl