Wie zonder humor is, lacht het hardst

Er valt veel te lachen in Het dorp Stepantsjikovo. En ook helemaal niet, want de lach hangt meestal samen met leedvermaak, vernedering of armoede.

Een man vertelt een grap. Hij is thuis, in gezelschap van zijn moeder, zijn dochter, verre neven, buren, bedienden en klaplopers. Hij vertelt hoe hij in het theater een oude vriend tegenkwam, een beetje met hem bijpraatte en al snel de oude-jongens-krentenbroodtoon van vroeger hervond. In zijn sas over het weerzien maakte hij een lekker seksistische opmerking over een paar vrouwen in het publiek. Het blijken de nicht, de zuster en de echtgenote van zijn vriend te zijn.

Van zijn gehoor verwacht hij hilarische reacties op het openhartige verhaal van zijn blunder. Niets leuker immers dan rake zelfspot en lachen om de domheid van anderen. Maar niets van dat al: ‘een doods stilzwijgen was het antwoord op zijn grappig verhaal’, schrijft Dostojevski in Het dorp Stepantsjikovo.

Het is maar een van de vele tenenkrommende situaties waarin Dostojevski’s hoofdpersoon, kolonel Jegor Iljitsj Rostanjew, in de roman terecht komt. Het boek heeft door de vele dialogen en de als scènes geschreven hoofdstukken veel weg van een toneelstuk. Een goeiige landeigenaar en een charlatan maken elkaar het leven zuur, vrouwen vallen in appelflauwte, klaplopers worden de laan uitgestuurd en even later weer als vorst binnengehaald, gekke vrouwen worden geschaakt en achtervolgd, er wordt met bankbiljetten gestrooid en er vinden geheime nachtelijke rendez-vous plaats in romantische prieeltjes. Alle ingrediënten van een klucht zijn aanwezig in dit doldrieste boek waarin alle situaties voortdurend van karakter veranderen.

Maar hebben wij, lezers van de 21ste eeuw, nog wel affiniteit met dit boek? Waarom zouden wij het ‘uit de schaduw’ halen? Valt er voor ons nog wel iets te lachen in deze klassieker? Volgens Italo Calvino is ‘a classic’ een boek dat de zorgen van alledag tot achtergrondlawaai reduceert, maar dat tegelijkertijd niet buiten die herrie op de achtergrond kan. Met andere woorden: een klassieker houdt ons intens bezig, we (her-)lezen een verhaal dat ons boeit, verrast, dat ons de wereld op een nieuwe, frisse en onverwachte manier laat zien en tegelijkertijd hebben we de wereld waarin we op dat moment leven nodig. Een boek dat los staat van onze tijd, dat geen echo veroorzaakt in ons hoofd, dat niet in gesprek gaat met de tijd waarin het wordt gelezen, voldoet niet aan Calvino’s criterium.

Hoe staat het in dat verband met Het dorp Stepantsjikovo, een roman uit 1859, die grotendeels op humor drijft? Is juist het komische niet bij uitstek tijdgebonden? Waar lacht men bij Dostojevski eigenlijk om?

Een paar voorbeelden. Foma Fomitsj, een man met gefnuikte literaire ambitie, duikt als bedelaar op bij een rijke generaal en wordt er aangenomen om voor nar te spelen: hij doet allerlei beesten na en voert ‘charades’ op. Een dronkelap wordt opgesloten in een rijtuig. Hij smeekt eruit te mogen, men maakt zich vrolijk om zijn onvrijwillige gevangenschap. Een oude bediende wordt gedwongen Frans te leren, een schouwspel waarmee men een gretig publiek wil amuseren. Zijn droevige pogingen leiden tot ‘schaterlachen’. ‘Daar heb ik dus oud voor moeten worden’, zegt de bejaarde man, ‘om zo’n schande te beleven’. Tot slot: een oude, maar arme man, wiens familie afhankelijk is van het inkomen van zijn dochter, wil haar graag uithuwelijken. Hij vleit de kandidaten, smeert hen stroop om de mond en hangt de clown uit om hen te behagen.

Wie de lach definieert als een uiting van vrolijkheid of plezierig schuddebuiken, komt in Het dorp Stepantsjikovo bedrogen uit. Hier is de lach rechtstreeks verbonden met vernedering, met leedvermaak en armoede. Er wordt niet gelachen van de pret, maar ten koste van iemand, met name iemand die van lagere komaf is, iemand die arm is of geestelijk niet helemaal in orde. De grap is onderdeel van een machtsspel. Wie de lach regisseert, regisseert zijn eigen eer en glorie. Vandaar dat de personages niet spontaan, zonder toestemming, lachen en al helemaal nooit op het moment dat je misschien zou verwachten. Er zit altijd een bedoeling achter een grap of een komische noot. Een grap is nooit onschuldig. Voor iedere grap een traan.

Onlangs schreef de Tsjechische schrijver Milan Kundera in een artikel in Le Monde over ‘de komische afwezigheid van het komische’. Hij verwees naar De idioot (ook van Dostojevski) waarin juist die personages het hardste lachen die over geen enkel gevoel voor humor beschikken. De lach is leeg, de lach is façade. Hij trok en passant een vergelijking met huidige televisieprogramma’s waarin allerlei bekende acteurs, politici, zangers en andere mediasterren op even groteske manier, als op commando, hun mond in een kramp leggen. Over herrie op de achtergrond gesproken.

‘Verwondert u zich maar niet’, zegt één van de personages uit Het dorp Stepantsjikovo tegen de zojuist gearriveerde verteller, ‘er gebeuren hier veel vreemde dingen en er is hier inderdaad heel wat, waar je om kunt lachen’.

‘Alleen maar lachen?’

‘Wel, men hoeft er toch zeker niet om te huilen?’

Dat slaat, ook anderhalve eeuw later nog, de spijker op zijn kop.

Volgende week in de Leesclub: Bas Heijne over het surrealisme bij Dostojevski. Discussieer mee via www.nrc.nl/boeken, waar ook een dossier over Fjodor M. Dostojevski te vinden is. Of mail uw reactie naar boeken@nrc.nl.Meer informatie over Dostojevski op de website The Ledge (www.the-ledge.nl), die met de Leesclub samenwerkt. ‘Het dorp Stepantsjikovo’ is, net als de andere titels die in de Leesclub besproken zullen worden, te koop via www.nrc.nl/extra