Weg met die bloemengietertjesgedichten!

Brave genrestukjes en ouwelijke prietpraat uit voorbije eeuwen vullen de eerste helft van deze selectie. Pas uit de laatste halve eeuw stamt poëzie vol humor, taalgevoel en eigenzinnigheid.

Gerrit Komrij: De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Prometheus, 1.040 blz. €19,95

Je slaat het baksteendikke boek maar eens open en dan lees je van het wiegje. Zo begint het: ‘Geen huisje / zonder kruisje, / dat is het oude lied. / Mijn wiegje, / buiten ’t vliegje, / kende echter geen verdriet’. Ach, hoe mooi: een jeugd zonder zorgen. Ieder huisje heeft zijn kruisje, maar hier niet. Eén probleem is er nog wel geweest, vroeger, in die verder zo gelukkig verlopen jeugd: het probleem van ‘’t vliegje’. Een vliegje kan erg hinderlijk zijn natuurlijk, maar het kan erger – dat lijkt ook onze dichter te vinden. Hoe zou het hem verder zijn vergaan? De dichter laat ons niet langer in spanning zitten. Zo ging het verder, bij het wiegje: ‘Ter wachte, / dag en nachte, / zat mijn moeder daar. / Ze omermde, / en beschermde / mij, tegen elk gevaar’.

Je kijkt er met open mond naar, naar zoveel zoetsappigheid bij elkaar. Wiegje, moedertje, dag en nacht. Zie ik iets over het hoofd? Is het vliegje geen zoemvliegje, maar een eufemisme voor een of andere ziekte, misschien wel vliegende tering? Is het misschien spottend bedoeld? Kan een kind zich later eigenlijk nog wel herinneren dat moeder naast zijn wiegje zat?

Waarom zou Komrij dit inwisselbare, sentimentele rijmpje hebben opgenomen in De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten, zijn zo te zien toch streng bedoelde keuzen uit de Nederlandse kinderrijmen van middeleeuwen tot heden?

Dus je gaat maar eens op zoek naar de naam van de dichter: Prudens van Duyse, 1804-1859. Ik zou hem moeten kennen, want hij stond ook al met een paar gedichten in de dikke Komrij, maar ik had zijn hand toch niet in het wiegjesvers herkend. Ook niet in het versje ernaast, een dertien-in-een-dozijn-vers over de sneeuw, uitgelegd voor de katholieke jeugd: als het sneeuwt, zijn ze in de hemel de bedden aan het opmaken. ‘Jezuken schudt zijn beddeken uit, / zie de pluimpjes vliegen’.

Ik had Prudens ook niet herkend aan zijn ‘Kinderliedeke’: een dialoog tussen de dieren in het grote dierenbos over de vraag wie de haan heeft gedood. ‘Wie doodde er de haan? / ‘‘Ik’’, zegt de sperwer, / ‘‘Ben de verderver. / Ik doodde de haan”’. Het staat er niet bij, maar het moet wel een vertaling zijn van het oude anonieme Engelse lied ‘Who killed Cock Robin?’. Het luilekkerland-gedicht daarnaast, over het land waar de visjes gebakken door de beken zwemmen, en de biggetjes gebraden over het land lopen, deed evenmin een belletje rinkelen. ‘Daar vallen de vruchten van zelfs in uw mond, / wanneer men de moeite zich geeft van te gapen’. Ook al niet helemaal zelf verzonnen door onze Prudens. Het motief komt in de Middeleeuwen veelvuldig voor, en is tot op heden in trek. Komrij geeft alleen al in deze bloemlezing een stuk of tien bewerkingen van het luilekkerlandgegeven.

Is er dan niets oorspronkelijks te vinden in de vijf kindergedichten die Komrij van Prudens van Duyse koos? Eerlijk gezegd niet. Want ook het vijfde vers is een braaf genrestukje, over een meisje dat bloemetjes gaat plukken om er een bloemenkroon van te vlechten voor haar moeder. ‘Ei, ’t was in de Mei, zo blij; / Ei, ’t was in de Mei’. Twaalf keer in totaal – de rest laat zich wel raden.

Er staan veel meer gedichten in de bloemlezing die niet zo heel bijzonder zijn. Voor wie zijn deze kindergedichten bedoeld? Voor kinderen, of eigenlijk voor volwassen lezers, om er een gevoel van jeugdigheid mee op te wekken? Allebei, neem ik aan – en dat verklaart de halfslachtige indruk die ze maken. In het lied van het wiegje is geen zuigeling aan het woord, maar een oude kwezel. In het luilekkerlandvers spreekt geen jonge fantast, maar een verzuurde betweter: ‘want, zie, na veel plagens en ploegens, / maait de akkerman ´t koren, en rust dan verblijd’.

Komrij nam ze op om een beeld te geven van het kindergedicht in de loop der tijden. Ik kan me niet voorstellen dat hij ze werkelijk goed vindt. Hooguit speelt er historische vertedering mee, of plezier in ouderwetse taal, met misschien een zweem van camp. Het is nu eenmaal leuk om twaalf keer achter elkaar ‘Ei‘, ’t was in de Mei’ te zeggen, hardop, en ‘allengskens’ en ‘wat is dat schoon!’.

Ik doe nog maar eens een greep en kom, honderden bladzijden verder, bij een vers van ene Elly Reitsma. Geen jaartallen bekend. Ze zal rond 1900 geboren zijn. Nooit van gehoord. Ze is nu, alsnog, in de eeuwigheid van de kinderpoëziehemel van Komrij beland, met één vers. Het heet ‘Bloemetjes gieten’. Het vertelt van een meisje, Lijsje, dat ’s avonds haar gietertje komt halen om daarmee, op haar eigen lapje grond, haar eigen bloempjes te gaan begieten. En als ze daarmee klaar is gaat ze een boeketje maken. Slotregels: ‘Straks zet zij een bont vaasje neer / in ´t huis van haar Mamaatje’.

Dat is mooi van vlug klein Lijsje, maar moeten wij dit poezelige versje lezen? Ik kan me niet voorstellen dat Komrij het koos om zijn letterkundige kwaliteiten. Alleen met veel moeite kan ik bedenken dat hier een historisch motief meespeelt. Het gaat niet meer om levenslessen zoals in de eeuwen daarvoor en ook niet om een volwassen blik op het kind – maar om het kind zelf, met haar eigen meisjestuintjesgeluk. Het spelen was al lang een thema in het kindergedicht. Hier zien wij de intrede van het thema van de leerzame hobby.

Nog weer eens enkele honderden bladzijden verder sla ik het boek op, weer bij een spelend kind. Dit keer is het een jongen, die vertelt over hoe hij vroeger buiten speelde: ‘Toen ik nog een jongen was, / zat ik heel vaak in het gras, / en ik speelde in de zon / met mijn vierkante ballon’. Het klinkt allemaal heel naturel. maar bij het voorlaatste woord spitsen we de oren. Hoe gaat dat verder, met die vierkante ballon? ‘’s Avonds hadden we ontbijt.’ Dan wordt het al bijna een portret van de omgekeerde wereld. Kijk maar: ‘O, wat leuk was het altijd / als mijn vierkant bordje kwam / met mijn ronde boterham’. Gaat nu alles op zijn kop gezet worden? Dat toch ook weer niet. Heel rustig en nuchter vertelt de jongen verder: ‘Toen ik nog een jongen was, / had ik appels in mijn tas’. Natuurlijk. Gezond. Deze jongen komt er wel. Luister ook nog even naar zijn slotregels: ‘Appels smaken juist zo fijn / omdat appels vierkant zijn’. En dan weten we toch niet meer zo zeker of deze jongeman wel zo oppassend en verstandig is, of toch vooral een beetje mal.

Het is, in vergelijking met het bloemengietertjesgedicht van Elly Reitsma, weer een stap verder. Hier is het niet een dichteres die vertederd over een kind spreekt, maar is het kind zelf aan het woord, in de eerste persoon enkelvoud. Hij leeft bovendien in zijn eigen gekkigheden – zonder tussenkomst van welke wijze instantie dan ook.

Nu even tussendoor een kleine prijsvraag: weet u wie de dichter van ‘Rond of vierkant’ is? Willem Wilmink. Ik dacht dat ik zijn werk inmiddels redelijk kende, maar dit gedicht was ik vergeten – en nog wel meer van de tien gedichten die Komrij van hem opnam. Er zit een parodie bij op een 19de-eeuws moralistisch kindergedicht, een parodie op een ouderwets kerstliedje en een variant op het middeleeuwse luilekkerlandlied. Daaruit blijkt dat de kinderpoëzie inmiddels een volwassen literatuur is geworden: ze kan naar zichzelf verwijzen en met haar eigen verleden spelen.

Hoe verder je vordert in deze bloemlezing, hoe meer vooruitgang je ziet – maar tegelijk ook meer teruggang. Ik zie een ongelooflijk simpel vers van Ann Harris over een grote koe, en van Gitte Spee over een kleine aap: ‘hij heette Toto’, die ‘wilde zo graag mooi op de foto’, / niet met zijn zus / niet in een bus / maar in een rode brandweerauto’. Ik zie een anoniem klankvers, of een verzameling buitenlandse woorden, waarvan de betekenis niet bijgeleverd is: ‘Haffa lakina! Haffa lakina! Haffa! / Merisme Haffa. Nanena Haffa’. Enzovoort.

Het zou je tot het bevrijdende inzicht kunnen brengen dat er ook in de kinderpoëzie geen echte vooruitgang zit. Maar daar staan, vooral in de laatste halve eeuw, allerlei gevoelige verzen tegenover, van bekende dichters als Wilmink en Annie M.G. Schmidt. En van iets minder bekende als Peter Jaspers, Joke van Leeuwen, Remco Ekkers, Johanna Kruit, Hans Dorrestijn, Leendert Witvliet, Karel Eykman, Edward van de Vendel, Ted van Lieshout, Hans en Monique Hagen, Koos Meinderts, Sjoerd Kuyper, Mies Bouhuys en Rudy Kousbroek. Stuk voor stuk getuigen ze van veel meer inzicht in de kindergeest, en van veel meer humor, taalgevoel en eigenzinnigheid dan al die stijve voorgestanste voor-20ste-eeuwse verzen waarvan Komrij ons in de eerste vijfhonderd bladzijden van zijn bloemlezing een min of meer historisch verantwoord overzicht wil geven. Het beste voorbeeld daarvan is Hieronijmus van Alphen (1746-1803). Hij krijgt het maximum van tien gedichten – maar vast niet op inhoudelijke gronden. Ze zijn alle tien even ouwelijk en belegen en saai.

Hier heeft Komrij, zoals op wel meer plaatsen, een inventarisatie willen geven, en niet zijn eigen kritische smaak gevolgd. Dat maakt deze bloemlezing anders van karakter dan zijn andere bloemlezingen. Er staat niet zo veel op het spel, er hoeft niet zo scherp gewogen, er is geen polemiek, er wordt niet met een strakke dichterlijke opvatting gelezen. Heel erg is dat niet, behalve dan dat het boek nu ongeveer twee keer te dik is. Terugbrengen tot de helft zou het geheel pittiger, scherper, frisser hebben gemaakt. In zijn eerste bloemlezing, uit 1979, zei Komrij dat wie een gedicht miste het maar met de hand moest overschrijven – en het er zelf achteraan plakken. Nu had hij ons kunnen aanmoedigen desgewenst de schaar ter hand te nemen. Ook in gehalveerde vorm had dit baksteenboek duidelijk kunnen maken dat de grens tussen zogenaamde kinderpoëzie en zogenaamde grotemensenpoëzie niet goed te trekken is. En misschien zou je dus moeten zeggen dat de bloemlezing, na gemaakt te zijn, zichzelf ook meteen weer kan opheffen – want alle goede kinderpoëzie is ook meteen goede grotemensenpoëzie.

Het mooiste gedicht staat precies middenin het boek, op pagina 521. Het is van Hendrik de Vries. Hij is eigenlijk een dichter voor volwassenen, maar hij is op zijn best als hij door het oog van de jeugd kijkt, en spreekt met de stem van een kind: ‘Wat ik heb gevonden, je raadt het nooit”, zegt hij in de eerste regel. Spreektaal. Het is ‘een keisteen, middendoorgebroken’. En dan, met een bevlogenheid die mij van alle tijden en leeftijden lijkt: ‘Daar binnen waren ’t prachtige kleuren: / een zee met wolken, een zeilend bootje, / een vlag, door de wind in rimpels geplooid; / er stonden ook letters en cijfers boven’.

Het is al haast vanzelf een symbool voor de twee helften van dit keisteendikke boek. En hoe loopt het af? De jongen wil de letters en cijfers proberen te lezen. ‘Maar voor ik dat allemaal goed kon lezen, / heeft een man mij die twee helften afgenomen / en ze over de schutting weggegooid’.