Vertrouw erop dat het goed komt

Henk Romijn Meijer, in 2002 Foto Werry Crone/Hollandse Hoogte Nederland. november 2002 Henk Romijn Meijer, schrijver Foto Werry Crone/HH Hollandse Hoogte

Henk Romijn Meijer: Verhoudingen. Augustus, 224 blz. € 18,90

Henk Romijn Meijer (1929) heeft de naam een groot stilist te zijn. Dat staat ook achterop Verhoudingen, zijn nieuwe roman. Toch struikelde ik bij het lezen meteen over de eerste zinnen van het boek. Een dialoogje tussen een moeder en haar ongeveer 9-jarige dochter: ‘,,Hou je mond!” „Jaaaaa!” huilde het meisje deerniswekkend.’ Iemand kan deerniswekkend huilen, maar in dit geval ligt het er wat dik bovenop, alsof het gewone huilen van een meisje dat door haar moeder wordt afgesnauwd al niet zielig genoeg is.

Romijn Meijer wilde, zo lijkt het, van meet af aan een heftige toon aanslaan en daarmee zijn lezers desnoods op het verkeerde been zetten: een toon van woede, deernis en verontwaardiging. Er wordt op die allereerste bladzijde geschreeuwd, gehuild, gesmeekt, met deuren geknald en met schoenen gesmeten. Het huis waarin zich dit alles voltrekt, ligt bovendien aan een straat in Amsterdam-West waar het verkeer onafgebroken doorheen dendert, op weg naar en van Den Haag. Het verhaal speelt zich af in de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen er nog geen Ringweg was. Het is de tijd van walmende oliekachels, opgewarmde koffie, lelijke wandmeubels, volle asbakken en ongewenste zwangerschappen.

In dit tumult probeert Gerard, de ingetogen huurder van een van de kamers in het gehorige huis, zich staande te houden. Hij studeert Engels, net als destijds Romijn Meijer zelf. Hij zit voor zijn kandidaatsexamen. De vele luidruchtige gesprekken en discussies die gevoerd worden tussen zijn huisgenoten leiden hem zozeer af dat hij het examen steeds weer moet uitstellen. Zo is er niet alleen de hospita, die op alles en iedereen wel iets aan te merken heeft, maar is er ook ‘mijnheer Putten’, een man van de ingezonden brief die nooit geplaatst wordt. Hij fulmineert onophoudelijk tegen God en tegen het huwelijk – totdat hij door een heilgymnaste aan de haak wordt geslagen.

Vooral is het Gusta, de snauwerige moeder met haar jengelende kind, die de student van zijn werk houdt met haar gefoeter, hakkengekletter en gerammel met keukenspullen. Zij heeft haar man in de steek gelaten voor bankbediende Rinus. Tot haar ergernis blijft Rinus nooit een hele nacht slapen, omdat hij op zijn 34ste nog steeds bij zijn ouders woont. Hij wil eerst een eigen huis en een trouwdatum, daarna kan er pas worden samengewoond. Ook besteedt hij, naar Gusta’s smaak, veel te veel tijd aan de beursberichten en heeft hij te weinig oog voor haar. En zo valt er voortdurend van alles te mopperen, wat zij net als de overige personages van Romijn Meijer met overgave doet. Zo valt het Gusta bijvoorbeeld op hoe gemeen kinderen vaak tegen elkaar doen, ‘vooral als ze jaloers op elkaar worden en dat zijn ze meestal’. Ze sputtert nog even door: ‘Kleine geniepige rotzakken zijn het soms en misschien was ik net zo toen ik klein was. Maar jaloers ben ik nooit geweest, dat weet ik heel zeker, want ik ben het nog steeds niet. Daar zorgde mijn vader wel voor!’

Aanvankelijk moet Gerard niets hebben van Gusta, die niets anders doet dan klagen – over Rinus, over haar opdringerige baas, over haar voorbije jeugd en ook over haar eigen trouweloosheid en slechte moederschap. ‘Wat ging het me aan?’, vraagt hij zich dan ook af. ‘Was ik soms getrouwd met dat mens?’ Maar later raakt hij steeds meer in haar ban en blijft hij halve nachten op om als haar uitlaatklep te kunnen dienen. Terwijl zij maar praat en praat, vraagt hij zich vertwijfeld af wat hij voor haar voelt en waar het heen moet met de relatie, die ze in vele nachtelijke uren aan het opbouwen zijn. Wat zal daarvan overblijven als ze eenmaal getrouwd is met Rinus? En wat moet er dan van hem worden?

Net als in de novelle De Amerikaantjes (1989) en de roman Oprechter trouw (2001) draait het hier, de titel zegt het al, om verhoudingen. Verhoudingen tussen buren, echtgenoten, vrienden, huisgenoten, minnaars, ouders en kinderen. Hoeveel rek zit er in al die relaties? Hoeveel kan de een van de ander verdragen? Precaire evenwichten.

Het is een onuitputtelijk thema voor Romijn Meijer, dat hij ook nu weer met veel geestdrift en gevoel voor droge humor weet uit te spitten. Hij doet dat op de hoekige, altijd wat ongemakkelijk stemmende manier van J.J. Voskuil en Frida Vogels. Elk moment kan het mis gaan tussen mensen, lees je tussen de regels door. Elk moment kan de bittere waarheid aan het licht komen dat er bij de een meer liefde of genegenheid in het spel is dan bij de ander en dat de toch al wankele balans nu definitief verstoord is.

De vraag is steeds: hoe moet het verder met het leven? Hoe redt een mens zich uit een benarde situatie? En: kan het ooit nog beter worden? ‘Het blijft allemaal dezelfde rottroep, hoe je het ook wendt of keert’, lezen we ergens halverwege.

Toch valt er ook af en toe, als een soort lichtere tweede stem, een relativerende ondertoon te bespeuren. Zo merkt de hospita luchtig op dat een mens zich heel wat moeite kan besparen. ‘Ik denk soms wel eens dat je net zo goed niets kunt doen, nergens naar luisteren, nooit iets leren, want de volgende dag ben je het toch allemaal weer kwijt’.

De roman begint en eindigt met een beschrijving van de straat waarover zich een onafgebroken stroom van auto´s spoedt: zinnebeeld van het leven dat ook steeds maar door dendert zonder dat duidelijk wordt waartoe alle bedrijvigheid dient. Je kunt die drukte proberen te ontlopen door je op te sluiten in je eigen veilige kamer. Maar je kunt je er ook tussengooien, in de hoop zonder kleerscheuren de overkant te bereiken. Dat is, meen ik, de mededeling van deze monter doorzeurende roman: je moet er maar op vertrouwen dat het goed komt, ook al wijst alles op het tegenovergestelde.