‘Uiteindelijk zijn wij allen weeskinderen’

Lloyd Jones: ‘Schrijvers zijn van nature ‘globale wezens’ Foto Freddy Rikken 2/10/2007 Foto Freddy Rikken Lloyd Jones schrijver N.Zeeland Rikken, Freddy

‘De Nieuw-Zeelander staat wat interesse van buitenaf betreft onderaan de voedselketen”, aldus de Nieuw Zeelandse schrijver Lloyd Jones, die even in Amsterdam is. En hij heeft gelijk: zelf schreef hij al meer dan tien romans en verhalenbundels, maar alleen zijn laatste boek, Meneer Pip, kreeg opeens ook buiten zijn vaderland ruime aandacht. Internationale uitgevers stonden te springen om de rechten van Meneer Pip en nu staat Jones ermee op de Shortlist van de Booker Prize.

De wereld heeft wel gelijk wanneer ze niet veel interesse toont voor Nieuw-Zeeland, volgens Jones: het land is altijd op zoek geweest naar identiteit, zonder die echt gevonden te hebben. „Vroeger wilden we het liefst een klein Engeland in de Stille Zuidzee zijn, tegenwoordig beginnen we zowaar op een eiland in de Pacific te lijken.

,,Het zoeken naar een identiteit is voor Nieuw- Zeelanders altijd een probleem geweest. Volgens mij hebben we die voor het eerst gevonden in 1905, toen ons rugbyteam tegen alle verwachtingen in Engeland, Frankrijk en Amerika versloeg. Ik ben altijd opgevoed met dit verhaal als een soort mythe, maar in wezen is dit het begin van een nationaal gevoel dat losstond van Europa. (Jones schreef een boek over deze verovering van het rugby team onder de titel Book of Fame)

,,Tot in de jaren tachtig hebben we geworsteld met een identiteit tussen onze herkomst en onze locatie: we waren een ‘bicultureel’ land, een typische ex-kolonie. De laatste decennia zijn we eindelijk multicultureel. Maar de onzekerheid is gebleven, en dat leidt soms tot overcompensatie – we zijn dan net iets té trots op onszelf’’.

Jones’ collega Tim Winton, ook uit dit deel van de wereld, wees er in een interview in deze krant (30.04.2004) op dat Australië meer gericht moest zijn op Azië, omdat beide een gemeenschappelijk verleden hebben als gekoloniseerd gebied door de Europeanen. Maar voor Nieuw-Zeeland gaat dat niet op, aldus Jones. Voor Australië uiteindelijk ook niet: „Wij horen bij Oceanië. De keuze van Australië om bij Azië te willen horen is puur uit eigen belang ingegeven. In 2002 noemde het land zichzelf opeens Aziatisch. Waarom juist toen? Omdat handel drijven dan soepeler verliep, terwijl niet meer dan zo’n vijftien procent van de bevolking van Aziatische afkomst is. Zo’n opmerking vanuit de Australische regering zegt dus niets over identiteit. Ik zou veel gelukkiger geweest zijn met de omschrijving: ‘We maken deel uit van de Pacific’. En daar horen een deel Zuidoost-Azië, Maleisië, Polynesië en Oceanië bij; die omschrijving is veel eerlijker.’’

Noodzaak

Het zoeken naar een identiteit en de noodzaak je aan te passen aan de omstandigheden is een belangrijk thema in Meneer Pip dat door de Sydney Morning Herald werd omschreven als ‘een allegorie van kolonisering’. Het verhaal wordt verteld door het meisje Mathilde. Ze woont met haar moeder op het eiland Bougainville dat door een burgeroorlog wordt geteisterd. Papoea Nieuw-Guinea wil niet dat het eiland onafhankelijk wordt omdat de kopermijn een aanzienlijk deel van de inkomsten waarborgt. De eilandbewoners willen om dezelfde reden juist hun onafhankelijkheid bewerkstelligen. Als de weerstand groeit, stuurt Australië helikopters om de opstandelingen op te sporen. Maar die helikopters worden ook gebruikt om hen vervolgens op Argentijnse wijze te straffen.

Terwijl de burgeroorlog het eiland in zijn greep houdt, vertrekken alle blanken; de eilandbewoners die in de kopermijn werkten emigreren voor nieuw werk naar Australië. Zo ook Mathilde’s vader. Zij en haar moeder moeten het met enkele dorpsbewoners alleen zien te rooien. Eén blanke is echter op het eiland achtergebleven: Meneer Watts. Hij besluit de kinderen les te geven omdat het eiland verder van voorzieningen is afgesneden. Dagelijks leest hij hen voor uit Charles Dickens’ Great Expectations. Maar in een wereld waar de orale vertelcultuur er vooral is om een duidelijke boodschap of praktische informatie over te brengen, leidt Dickens’ verhaal tot verwarring. De kinderen lopen weg met Dickens’ personage Pip, ze zien hem als een nieuwe vriend, terwijl hun ouders – vooral Mathilde’s moeder – zich juist verzetten zich tegen deze inbreuk op de tradities en het geloof in God. De legers van zowel de regering als die van de rebellen gaan zelfs op zoek naar Meneer Dickens en later naar Meneer Pip, omdat ze niet kunnen geloven dat verhalen de kracht bezitten een eigen leven te gaan leiden.

Jones: „De wereld van de verbeelding komt in conflict met de echte wereld, en gaat er ook een discussie mee aan. Wie in God gelooft – zoals de meeste eilandbewoners doen doordat ze dat ooit zo hebben geleerd van de missionarissen – moet ruimte scheppen voor verbeelding. Het is een van de thema’s van dit boek: hoe moet je je leven vormgeven om het betekenis toe te kunnen dichten?

,,Lezen is een manier om dat te leren, om een alternatieve werkelijkheid te begrijpen. Waarom zou je wel in boekpersonages geloven maar niet in God en de duivel, zelfs wanneer je ervan uitgaat dat God een verzinsel is? Watts geeft de kinderen een parallelwereld, en daar is niets verkeerds aan, in hun situatie. Hij leert ze dat hun verbeelding het mogelijk maakt om ergens anders te zijn, zelfs in Londen in 1861, en niet op het belegerde eiland. Bovendien leer je ook om met de blik van iemand anders te kijken, andere perspectieven te waarderen en te accepteren. En daarmee bouw je je eigen identiteit op.

„Vandaar ook het motto van Umberto Eco in mijn boek: personages migreren. Ik heb voor dat motto gekozen omdat personages migreren van boeken naar boeken – zoals Dickens’ Pip naar mijn boek Meneer Pip –, maar ook naar de werkelijkheid. Personages krijgen kleur, een invulling door degene die ze leest. In het Stille Oceaangebied wordt Dickens anders gelezen dan in Engeland, krijgen de personages een andere invulling omdat elk personage drager wordt van de geschiedenis en de ervaringen van de lezer.

,,Ik heb niet de ambitie om iets over Bougainville te zeggen. Het hele verhaal is verzonnen, behalve natuurlijk de gruwelen van de burgeroorlog die ik beschrijf (de helikopters, het lot van de rebellen en bewoners die door het regeringsleger aan de varkens worden gevoerd, TJ). Maar ik heb niet de intentie de lezer duidelijk te maken wat er gebeurd is. Mocht iemand een verhaal willen schrijven over de burgeroorlog dan moet dat door een bewoner van Bougainville gebeuren, niet door iemand van buitenaf.”

Buitenstaanders

Er is voor Jones’ kennelijk een onderscheid tussen verhalen die verteld worden door buitenstaanders en door ‘insiders’. Hij stelt hiermee de vraag wat fictie vermag: Jones hecht waarde aan authenticiteit wanneer hij beweert dat een buitenstaander de geschiedenis nooit waarachtig kan vertellen. Betekent dat dan ook dat de Nieuw-Zeelandse literatuur voor altijd onder aan de literaire voedselketen zal blijven? Die suggestie wuift Jones weg door globalisering en literatuur te koppelen: „Er staat nu een geweldig boek op de Booker Shortlist, De mensen van Beest van Indra Sinha, met een verteller die – zonder dat hij het zich dat realiseert – allerlei talen door elkaar spreekt. Ik vind dat een mooie allegorie van de globalisering. Volgens mij zijn schrijvers van nature ‘globale wezens’ – hun boeken worden door iedereen weer anders geïnterpreteerd. Maar dat iedereen een verhaal anders leest, is helemaal niet verkeerd. Het is maar de vraag of het het begrip in de weg staat: zou Ezra Pound werkelijk de Chinese poëzie niet hebben begrepen terwijl hij zich zo druk heeft gemaakt om de vertaling van Chinese gedichten? Het begrip wereldliteratuur bestaat al veel langer. De schrijver Tariq Ali zei zelfs dat globalisering dichterbij komt nu er zoveel literatuur vertaald wordt. Helaas valt dat in de praktijk nogal tegen. Uitgevers geven gewoon elkaars bestsellerlijsten in vertaling uit. Maar dat is wel het mooie van een nominatie op de Booker Shortlist: er ontstaat nu misschien meer interesse voor mijn eerdere werk.”

Volgens Jones heeft het succes van Meneer Pip trouwens niet veel te maken met zijn knipoog naar Dickens. Relevanter is het waarom Dickens populair is bij auteurs uit de Pacific (zoals Peter Carey met Jack Maggs; Michael Noonan met Magwitch en de Australische miniserie Great Expectations: The Untold Story van de Australische filmer Tim Burstall).

Jones: ,,Uiteindelijk zijn we allemaal weeskinderen. Er is een overeenkomst tussen wezen en immigranten: een weeskind heeft geen verleden, en het verleden van de immigrant is een steeds vager wordende foto. Het opbouwen van de eigen identiteit is voor wezen en immigranten van groot belang”.

Lloyd Jones: Meneer Pip. Uit het Engels vertaald door Joris Vermeulen. Bezige Bij, 271 blz. €18,90