Songzhuang

Afgelopen weekend was ik in het dorpje Songzhuang in de buitenwijken van Peking. Naar schatting wonen daar 1500 kunstenaars die voornamelijk moderne kunst maken. In Songzhuang is langs de hoofdstraat, die het dorp in tweeën deelt, een kunstenaarswijk opgetrokken van een paar honderd in steen gebouwde Chinese woningen met traditionele binnenplaats, maar je vindt er

dorp_1.JPG

truck.JPG

Afgelopen weekend was ik in het dorpje Songzhuang in de buitenwijken van Peking. Naar schatting wonen daar 1500 kunstenaars die voornamelijk moderne kunst maken.
In Songzhuang is langs de hoofdstraat, die het dorp in tweeën deelt, een kunstenaarswijk opgetrokken van een paar honderd in steen gebouwde Chinese woningen met traditionele binnenplaats, maar je vindt er ook een modern ogend plein met enorme atelierwoningen eromheen.
Sinds het einde van de jaren negentig zijn in Peking oude fabieksterreinen zoals 798 artzone en de oude bierbrouwerij Jiuchang, door de overheid opengesteld voor kunstenaars.
Op die manier kon de overheid een beter toezicht houden op de rebelse artistiekelingen.
798 art is inmiddels vercommercialiseerd en omgedoopt tot het Chinese Soho of Greenwich village voor toeristen.
In Songzhuang is (nog) geen toerist te bekennen. Geen winkeltjes of koffieshops; er wonen en werken kunstenaars die zich niet willen houden aan de commerciële wetten van 798 artzone en vooral in alle rust willen werken.
“In het verleden werden we door de lokale autoriteiten tegengewerkt maar nu helpen ze ons. We hebben hier een atmosfeer gecreëerd waarin we elkaar kunnen stimuleren en inspireren”, zegt een kunstenaar die anoniem wil blijven.
Hoewel er in China nog lang geen volledige artistieke vrijheid is, hebben kunstenaars inmiddels wel veel meer ruimte gekregen voor individuele expressie. In 1989 brak de Chinese moderne beeldende kunst toen in Peking de legendarische tentoonstelling ‘Avant Garde’ in Peking opende. Daar werden maatschappijkritische werken tentoongesteld die een paar jaar daarvoor pertinent verboden zouden zijn geweest. Een paar maanden later vond de studentenopstand plaats op het Plein van de Hemelse vrede en veel kunstenaars emigreerden naar Australië, Amerika of Europa.
Begin jaren negentig leefde de kunst weer op en borduurde men verder op de weg die men in in 1989 was ingeslagen. Vooral de experimentele en maatschappijkritische kunst met Mao als lijdend voorwerp was in. Wat ze lieten zien was zo extreem en vooruitstrevend dat de kunstenaars zelf niet konden geloven dat de overheid niet ingreep.
Uiteindelijk vonden de kunstenaars zelf,dat de grens van wat esthisch en ethisch nog verantwoord was, wel was bereikt.
Inmiddels floreert de beeldende kunst in China als nergens ter wereld. Chinese kunst schilders als Zhang Xiaogang en Feng Zhengjie zijn absolute internationale sterren en hun schilderijen gaan voor miljoenen euro ‘ s over de toonbank.
In Songzhuang vragen kunstenaars ook flink wat geld voor hun kunst. Cheng Wei bijvoorbeeld schildert net als veel Chinese kunstenaars Andy Warhop-achtige popart schilderijen. In zijn atelier staan tientallen forse doeken van het type vrachtwagen uit de Maoperiode waarmee de gardisten van de Culturele Revolutie destijds hun slachtoffers vervoerden.
Ze zie er allemaal hetzelfde uit maar zijn steeds in een andere kleurstelling geschilderd.
Op het nummerbord van de trucks staan wisselende teksten als: “lang leve de communistische partij “ en “wees trouw aan leider Mao”.
Cheng Wei vraagt 5000 euro voor een schilderij. Een prikje zegt hij want kunstenaars in 798 vragen voor soortgelijk werken al het vierdubbele.
Of zijn werk maatschappijkritisch is?
“Niet perse. Ik maak gewoon wat in mijn hoofd opkomt en als dat goed verkoopt is dat mooi meegenomen.”