Slechte smaak sticht

In deze nieuwe rubriek verkent schrijver Atte Jongstra de grenzen van de slechte smaak. Deze week: de erotische verhalen van Jan Stront.

Je komt op een Utrechts literatuurfestival, ziet auteurs rondlopen als Charlotte Mutsaers, Remco Campert, Philip Freriks of Joris van Casteren, en verwacht niet dat je een uur later diep in de merde zit. Niettemin. Bij een van de aanwezige boekverkopers daar in Utrecht stuitte ik op een titel die ik onmiddellijk kocht, De doorluchtige daden van Jan Stront uit 1696. Contraminewerk, walmend als een verse, dwarsgebakken… Juist. De anonieme auteur („uw nederbukkende dienaar”) droeg het op aan zijn beschermheer: het kakhuis.

Zowel titel als opdracht zijn enigszins misleidend. De stront kreeg méér eer in het eerste deel van wat bij elkaar een soortement Jan Stront-biografie vormt. In de Doorluchtige daden deel twee geniet echter de overbuurman van de aars de prominente aandacht (Jan Donderdag, majesteit, dauderik) alsmede de overbuurvrouw (kousje foei, pruisje vogel fris, oftewel: het boek met twee bladzijden).

Vaak wordt beweerd dat pornografie van vaderlandse bodem nauwelijks bestaat. Ook de inleidster van Stronts Doorluchtige daden Inger Leemans is deze mening toegedaan. Ik kan het me nauwelijks voorstellen. Te Zwolle werd twee jaar geleden een middeleeuwse dildo van hout opgegraven. Onze voorouders waren heus niets minder lustig dan de voorouders over de grens. Waarom zou er bij ons dus niet óók lustig zijn geschreven? We kunnen wel vaststellen dat er bijzonder weinig van de zelfkantliteratuur is overgebleven. Maar dat heeft vast te maken met de Hollandse schaamtecultuur. Veel pornografie is verdwenen in hetzelfde gemak waaraan Jan Stront nu net zijn Doorluchtige daden opdraagt. Daarmee zijn we rond. Alle reden eens flink in het kakhuis te gaan spitten. Gediplomeerd privaat-archeoloog van Nederland Gerrit Komrij noemt onze Jan in zijn Kakafonie. Encyclopedie van de stront overigens niet.

Het verhaal gaat zo. Jan Stront is intussen een man op leeftijd, hij ligt lekker te lezen in het standaardwerk La puttanta errante (‘de wandelende hoer’) als de lichtekooi Tullia op bezoek komt, gevolgd door dochter Jacoba en moeder Smulkous. Ze besluiten naar de kroeg te gaan, en in het gezelschap van nog wat vrienden ontwikkelt zich in rap tempo een bijzonder vrijmoedig gesprek. We lezen tips over maagdenvliesherstel, lijfgemeenschapsbevordering of de hantering van een glazen dildo, druiperongevallen passeren de revue, of waarnemingen dat „vrouwen altijd hun aars terugtrekken wanneer men naar hun klavier tast”, er wordt gesproken over situaties waarin het bloed kruipt waar het niet moet gaan. Het geheugen wordt bij alle sprekers wijd open gezet (prachtige verhalen) en tenslotte wordt bij alle „remarcabele” woorden de daad gevoegd.

In dat alles blijft Jan Stront zichzelf, een echte gangmaker: „Het is dat de erwten nu zo duur zijn, want anders vindt men somtijds aan de achterpoort van die arme hoertjes wel zo een bedorven erwtje hangen.” Er wordt „Foei!” geroepen, waarop een schitterende discussie plaatsvindt over de onwenselijkheid van die uitroep. Geestig ook is Jan Stronts demonstratie van wonderbaarlijke rekenkunst in dit gezelschap van drie heren en drie dames: „Als wij eendrachtelijk onze stijve piepen uit de broek halen en gij met uw drieën ook uw gehaarde nullen vertoont, zo zullen wij zonder één cijfer te maken wel duidelijk een getal van 111000 kunnen tellen.”

Keer op keer wordt er vuil gesproken, wat dan weer reacties oproept als „Ik houdt mijn tuigje schoner als mijn aangezicht, want ik was mijn bruigje alle morgen met helder putwater, daarenboven heb ik er nog deze dag voor de spiegel de haren die te ver buiten de andere waren uitgewassen met een schaartje afgeknipt.´ Waarmee we meteen gegevens kunnen toevoegen aan de archiefmap ‘Schaamhaarcultuur door de eeuwen heen’.

De doorluchtige daden van Jan Stront werd opnieuw uitgegeven in lichtelijk hertaalde vorm. Woorden als ‘tuigje’ en ‘bruigje’ worden in een lijst achterin verklaard, in dezelfde lijstafdeling als ‘geuzenkous’. Inger Leemans toont zich een bijzonder kordate tekstbezorger, die zelfs de humor niet schuwt. Laatstgenoemd zeventiende-eeuwse woord vertaalt ze zonder omhaal met ‘protestantse kut’ en ze verwijst naar Stendhals roman Le rouge et le noir uit 1830, als in een concurrentiepositie tussen een Engelsman en een dominee een vrouw over deze twee liefhebbers zegt: „Zijn rode rok zou er de zwarte zekerlijk uitgeboend hebben.”

In De doorluchtige daden van Jan Stront wordt de slechte smaak verheerlijkt. Echte zelfkantliteratuur. Inger Leemans noemt het terecht een utopisch boek. Het verzet zich tegen alles wat de vrijheid belemmert. Ongeremd uitbekken. Seks, stront, viezigheid. Als men daar niet vrij over mag praten, dan komt men nooit aan de grootse dingen toe die vandaag de dag zo kernachtig worden samengevat als „de V.O.C.- mentaliteit”.

Anoniem (Pieter Elzevier), De doorluchtige daden van Jan Stront. Uitgeverij IJzer, 2007.