Schrijven met de wichelroede

Vaak is opgemerkt dat Tim Krabbé als geen ander het geluk kan beschrijven. In zijn nieuwe roman wordt dat keer op keer gedemonstreerd.

Tim Krabbé: Marte Jacobs. Prometheus, 166 blz. € 16,95 (geb.)

De dood en het meisje. Dat is waarom het in de meeste boeken van Tim Krabbé draait. Net als die andere meester van het spannende verhaal, Edgar Allan Poe, is Krabbé gefascineerd door de erotiek van het graf en de romantiek van de jong gestorven schoonheid. In zijn beroemdste novelle, Het gouden ei (1984), worden de geliefden na hun dood herenigd; in De grot (1998) gebeurt dat op het moment van hun dood; en in Kathy’s dochter (2002) beleeft de ik-figuur bijna veertig jaar na dato een affaire met de dochter van zijn gestorven jeugdliefde. Echte liefde, zo lijkt Krabbé te willen zeggen, bestaat alleen in de dood.

Zo ook in Marte Jacobs, zijn bijna perfecte nieuwe novelle. Twee jeugdvrienden getuigen daarin van hun levensveranderende herinneringen aan een mooi jong meisje. De ene, Emile Binenbaum, was ooit hopeloos verliefd op haar maar liet de kans op een relatie voorbijgaan. De andere, Willem Reiff, werd na een onbevredigende affaire van 85 dagen door haar op de meest bruuske manier verlaten: Marte maakte het uit en verhing zich. Hij schreef er 35 jaar later een roman over, onder de titel Een Meisje uit mijn Jeugd, waarvan de kernzin als volgt geparafraseerd wordt: ‘Een vrouw te hebben omhelsd op de dag van haar dood, terwijl zij misschien al van die dood wist, was een onuitstaanbaar raadsel dat hem nooit had losgelaten.’

Beide hoofdpersonen zijn literatoren, Reiff zelfs een tamelijk succesrijke, van wie ‘ieder nieuw boek over zeven kolom besproken werd door de hoofdrecensent, in vestingmuren bij de boekhandel lag, prijzen won.’ Binenbaum is een weinig verkochte dichter, die op zijn 18de beroemd werd met het gedicht ‘Pasgeboren Girafje’, en sindsdien te boek heeft gestaan als een maker van leuke gedichten, een makkelijk auteur die zich niet ontwikkelde. Dat alles tot zijn grote frustratie. ‘,,Weet men wel hoe moeilijk het is om makkelijk te lijken?” zei Emile vaak tegen zijn vaste denkbeeldige interviewer. “En waarom moet ik me ontwikkelen […] Dat is pas vernieuwend: ik durf stil te staan”.’

Het is niet verwonderlijk dat Krabbé in Marte Jacobs het perspectief kiest van Emile. Staat hijzelf niet bekend als een makkelijk schrijver – geliefd bij scholieren, te licht voor literaire jury’s? En is hij er door de kritiek niet herhaaldelijk van beschuldigd dat hij stilstaat, dat hij zich niet ‘ontwikkelt’? In veel opzichten is Emile een zelfportret van Krabbé, al was het alleen maar door zijn manier van schrijven: heel precies, ieder woord op zijn plaats, strak. Emile noemt zichzelf een wichelroededichter, iemand die zijn gedicht moet uitgraven en het daarna moet schoonmaken. Krabbé, het blijkt eens te meer uit Marte Jacobs, is met hem verwant.

En wat heeft de wichelroedeschrijver dit keer voor ons opgediept en afgestoft? Aanvankelijk lijkt Marte Jacobs een variatie te worden op Martin Amis’ onvergetelijke roman The Information, waarin de vérgaande jalousie de métier van een sappelende schrijver ten opzichte van zijn vriend de bestsellerauteur uit de doeken wordt gedaan. Maar nog afgezien van het feit dat het niet terecht is om Krabbé van epigonisme te betichten (per slot van rekening is jongensrivaliteit een van zijn grote thema’s): al snel blijkt de novelle vooral te gaan over de platonische liefde van een gebonden jongen voor een zeven jaar jonger meisje. Het verhaal en de nostalgische sfeer zullen filmliefhebbers dan ook vooral doen denken aan de elf jaar oude cultklassieker Beautiful Girls, waarin een mislukte pianist voor een schoolreünie terugkeert naar zijn geboorteplaats en daar als een blok valt voor het ontwapenend jonge buurmeisje Marty (een van de eerste rollen van Natalie Portman).

Emile ontmoet Marte als hij een feest van zijn ouders ontvlucht om te gaan voetballen in de duinen. Met haar, het ranke meisje dat hij in gedachten Pasgeboren Girafje doopt, beleeft hij een geluksmoment, dat hij een jaar later een paar keer weet te herhalen wanneer zij in zijn examenjaar bij hem op school komt. Daarna verliest hij haar uit het oog, om haar nog één keer te zien tijdens een reünie, vier jaar later. Het lijkt eindelijk wat te worden tussen hem en Marte, maar op het moment suprême pakt Reiff haar van hem af.

Deze traumatische gebeurtenis (‘En het volgende ogenblik is Reiff weg, en is Marte weg’), die Emile zijn leven lang zal achtervolgen, wordt door Krabbé uitzonderlijk spannend beschreven, zoals hij eerder het eerste optreden van Emile als dichter van een flinke lading suspense heeft voorzien. Het zijn niet de enige kwaliteiten van Krabbé als stilist. Marte Jacobs staat vol met mooie zinnen waar duidelijk lang aan is gevijld. Wat te denken van ‘Henk werd dronken genoeg om Reiff door te zagen over het nieuwe boek waar die aan bezig was, maar Reiff was niet dronken genoeg om daar iets over te zeggen’? Of van ‘Ze hield erg van dromen. Het was een soort bioscoop waar de gekste films vertoond werden en waar je gratis in mocht’? En daarbij komt Krabbé door zijn onversierde stijl ook weg met een soort naïeve jongensachtigheid die in andere romans (behalve Kees de jongen) onvergeeflijk is.

Vaak is opgemerkt dat Krabbé als geen ander het Geluk kan beschrijven, en dat wordt in Marte Jacobs keer op keer gedemonstreerd. Maar wat in de novelle de meeste indruk maakt is de beschrijving van Emiles wording tot dichter (dankzij de ranke verschijning voor wie hij zijn ‘Pasgeboren Girafje’ schrijft), en de manier waarop hij zich na 35 jaar met het verlies en de dood van Marte verzoent – en zich neerlegt bij zijn roeping als dichter. ‘Hij had gedacht dat de goden hém hadden aangeraakt, om hem dichter te maken. Maar ze hadden Marte en hem samen aangeraakt, om samen iets te zijn […] Zolang hij gedichten schreef, waren ze samen.’

Er zullen mensen zijn voor wie deze laatste zin sentimenteel lijkt. Maar de 160 pagina’s die eraan vooraf gaan maken de zin waar. Er zijn ongetwijfeld ook mensen die helemaal niets zien in de boeken van Tim Krabbé. Dat moet wel, want op de Diepzeeprijs en de Gouden Strop na (voor respectievelijk Het gouden ei en Vertraging) heeft hij nog nooit een literaire onderscheiding gehad. Geen Bordewijkprijs voor De grot of Drie slechte schaatsers. Geen Constantijn Huygensprijs voor zijn aanzienlijke oeuvre, waarin de Orfeusmythe net zo mooi doorzingt als in dat van Harry Mulisch. Zelfs geen AKO- of Librisnominatie voor Kathy’s dochter. Gelukkig wordt de jury’s van Nederland (en Vlaanderen) met Marte Jacobs opnieuw een kans geboden om dit literaire onrecht ongedaan te maken.