Prinses Máxima stapte in een kwal

Prinses Máxima houdt een toespraakje bij de aanbieding van een omstreden WRR-rapport over Nederlandse identiteit, en vertelt dat ze na zeven jaar Wassenaar en omgeving de Nederlandse identiteit niet heeft gevonden. Ze betwijfelt of de Nederlander wel bestaat.

Onmiddellijk krijgt ze de wind van voren. Van de gebruikelijke nützliche Idioten van het Binnenhof natuurlijk. Maar ook van de geleerde Paul Scheffer die via een kromme redenering de aanstaande koningin van arrogantie beticht. En zelfs van leden van de Oranjevereniging waarvan de één zegt dat je een echte Nederlander meteen herkent aan zijn nuchterheid, en de ander aan de wijze waarop hij een brok in de keel krijgt als hij het Wilhelmus hoort (of van louter vreugd victorie roept als hij Hollands vlag aan vreemde kust ziet).

Curieuze opwinding.

Zoals een christen veel door de bijbel bladert, blader ik graag door woordenboeken, en zo ontdekte ik laatst dat in de eerste na-oorlogse editie van de dikke Van Dale (7de druk, 1950) het woord ‘onnederlands’ was opgenomen. Zou wie op zoek is naar wat Nederlands is, niet geholpen zijn met een omschrijving van het tegendeel?

In 1950 formuleerden de lexicografen Kruyskamp en De Tollenaere het zo: ‘Onnederlands, bn, in strijd, althans niet in overeenstemming zijnde met de aard van de Nederlanders of met hun taal: een onnederlandse manier van zeggen.’

De dagen van de onschuld waren nog onder ons. Pas rond de recente eeuwwisseling, en de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh lijkt de kwalificatie er een beschuldigende lading bij te hebben gekregen. De Vlaming Yves Desmet keek en luisterde naar reacties van Nederlandse journalisten op wat er met Fortuyn was gebeurd, en schreef anno 2002 in De Morgen: ‘Ik zag telkens de reflectie van dat typische kenmerk van het Nederlands identiteitsgevoel: ons zal zoiets nooit overkomen. Daar zijn wij te beschaafd, te tolerant, te verdraagzaam, te gedogend, te – ja, waarom niet – Nederlands voor’.

En twee jaar later, tijdens de deels oorlogszuchtige verwarring die de moord op Van Gogh teweeg had gebracht, maande minister-president Balkenende het volk tot kalmte, en waarschuwde: ‘Want op deze manier zijn we onnederlands bezig’.

Wat was Nederlands? Wat is Nederlands? Wat willen Nederlanders graag geloven dat Nederlands is?

‘Elk volk heeft zijn eigen karakter’, schreef de Leidse historicus Robert Fruin in 1871, en hij noemde ‘de levendigheid van den Italiaan, de fierheid van den Spanjaard, het vernuft van den Franschman, de gemoedelijkheid van den Duitscher en de praktische zin van den Engelschman’. Aan zulke algemeenheden zouden weinig historici zich een eeuw later nog bezondigen, maar in de 19de waren ze heel populair. De beschrijving van ‘het volkseigene’ stond in dienst van een wensenlijk geacht nationaal zelfgevoel, waartoe moest worden opgevoed, waarnaar liefst ook moest worden geleefd. Daarom kon Fruin, met het gezag van de gerespecteerde wetenschapper, ‘dronkenschap bij de lagere klassen’ ook streng veroordelen als ‘een volksondeugd’.

Overigens verkondigde hij dat de hoofdtrekken van ons volkskarakter ‘phlegmatisch’ genoemd konden worden. De Nederlander was ‘bedachtzaam in het overleggen, langzaam in het handelen, koel in voorspoed, geduldig in tegenspoed, volhardend bij weerstand, niet hartstochtelijk in het ongeluk, niet druk onder het genot [...] Met nieuwigheden loopt hij niet licht weg, van het vreemde heeft hij afkeer en argwaan, wat stout is, acht hij roekeloos’.

Dit beeld van een saai mensentype contrasteerde nogal drastisch met het portret dat zeventig jaar later geschetst zou worden door die andere grote Leidse geschiedschrijver, Johan Huizinga. Huizinga begon ook wel met onze onheroïsche, burgerlijke en in wezen gematigde aard, maar dat waren naar zijn mening vooral deugden. We waren nuchter, maar dat was iets anders dan bedaagd of bedachtzaam. We stonden open voor vreemde culturen en we hadden groot ontzag ‘voor het recht en de mening van anderen’ wat het tegenovergestelde was van de door Fruin geconstateerde afkeer of achterdocht.

Had een van de twee hooggeleerde heren het misschien bij het verkeerde eind gehad? Of hadden ze beslissende eigenschappen over het hoofd gezien? Huizinga – van wie ik kan zeggen dat hij over een wereld schreef waarin ik als klein jongetje opgroeide – kon achteraf voor een paar ‘gemiste’ geestesmerken geëxcuseerd worden omdat ze in zijn dagen nog niet bestonden. Er werd (uit ontzag voor de veldwachter) nog niet wildgeplast, dus hij kon ons zindelijk noemen. Het Nederlandse voetbal stelde nog weinig voor, dus niemand zat nog met een rood-wit-blauw geschilderd gezicht en een oranje kroon op z’n verhitte kop in het stadion, waardoor we een nuchtere indruk konden maken. En er waren nog geen anderhalf miljoen allochtonen die ons begrip voor de vreemdeling op de proef stelden. Er waren hooguit een paar duizend Chinezen die pinda en noga uit een blikken trommel verkochten, en zich verder koest hielden.

Uit de verschillen tussen Fruin en Huizinga, en tussen Huizinga en onze tijd (waarin alleen de gebruikelijke nützliche Idioten uit de politiek, Paul Scheffer en leden van de Oranjevereniging nog menen te weten wat een echte Nederlander moet zijn) – uit die verschillen kan alleen maar worden afgeleid dat mét de wereld ook de identiteit van de Nederlander is veranderd van 1871 tot 1934, en van 1934 tot heden, en dat er over zeventig jaar misschien al wel meer korans dan bijbels in de reliwinkel liggen.

Wat is intussen onnederlands geworden?

Na de hierboven geciteerde omschrijving uit Van Dales 7de druk van 1950, is er in zes volgende edities nooit meer iets aan de redactie veranderd. Verrassenderwijs was in de 13de druk (1999) het woord helemaal verdwenen. Kan dat met Paars te maken hebben gehad? Vonden hoofdredacteuren Geerts en Den Boon het overbodig geworden? Bestond er niets onnederlands meer?

Nog verrassender was de terugkeer van het woord in editie 14 (2005), met een tussenstreepje, en een veel uitvoeriger informatietekst..We lezen nu:

‘On-Nederlands bn. Zeer ongewoon vanuit het perspectief van het stereotype beeld dat m.n. Nederlanders zelf van hun land en volk hebben, met inbegrip van als nationaal beschouwde positieve collectieve eigenschappen als tolerantie, nuchterheid, kleinschaligheid e.d. en negatieve eigenschappen als bekrompenheid: on-Nederlandse glitter en glamour’.

Hoe ook de lexicografie de steeds veranderende Nederlandse identiteit moet bijbenen.

De wijze Groningse historicus Ernst Kossmann vreesde het begrip, en had een aanbeveling: ‘Loop er liever met aandacht omheen, bekijk het van alle kanten maar stap er niet in, behandel het kortom als een enorme kwal op het strand’.

De arme Máxima was even in een kwal gestapt.