Onze waarden en die van onze bondgenoot

Nietsvermoedend lees je het dramatische levensverhaal van een vluchteling uit Birma, en opeens gaat het over ons. De 39-jarige Yan Naing vertelde vorige week in het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant hoe hij in 1988 als student betrokken raakte bij de toenmalige opstand tegen de militaire dictatuur. Hij moest onderduiken, sloot zich aan bij opstandelingen in de jungle en vluchtte uiteindelijk naar Thailand, waar hij zonder proces voor jaren in de gevangenis verdween. Hij werd er mishandeld, zijn rechterhand werd aan zijn linkervoet geboeid, hij werd er geslagen met stokken.

En toen kreeg hij asiel in Nederland. Hij woont nu zes jaar in een rustig dorp in Noord-Holland. Hij heeft een paspoort gekregen („Daar ben ik dankbaar voor”) en hij heeft een baan als lasser. Mooi, zou je zeggen. Welkom.

Maar Yan Naing wil graag trouwen met zijn Birmese vriendin, en die woont in Duitsland. Omdat hij niet genoeg verdient, mag hij haar niet hierheen laten komen. En dus woont hij nog steeds alleen. Tja, dat is Nederland in 2007.

Vaak hoor je politici zeggen hoe belangrijk onze waarden zijn. En dat is ook zo. Ze geven aan wat we zijn, wat we willen zijn, wat we belangrijk vinden. En ze geven aan waar we voor staan in de wereld, en wie onze bondgenoten zijn. „Waarden verbinden ons, dwars door alle culturen en godsdiensten heen”, zei premier Balkenende onlangs in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

En hij voegde er nog aan toe: „Waarden koesteren betekent automatisch: verantwoordelijkheid aanvaarden.” Ofwel: bij mooie woorden kan het niet blijven. Je mag erop aangesproken worden of je gedrag wel strookt met wat je belijdt. Dat is een cruciale test.

Onze belangrijkste bondgenoot in de wereld is hard bezig voor het oog van de hele wereld voor die test te zakken. Steeds meer blijkt dat Amerika, gebouwd op idealen en voor zoveel onderdrukten in de wereld sinds jaar en dag een model en een baken van hoop, in de Oorlog tegen Terreur zijn eigen waarden negeert.

Vorige week kwam aan het licht dat het Amerikaanse ministerie van Justitie in 2005 in geheime memoranda expliciete toestemming had gegeven „om verdachten aan te pakken met een combinatie van fysieke en psychologische drukmiddelen, waaronder slagen tegen het hoofd, blootstelling aan zeer lage temperaturen en gesimuleerde verdrinking (‘waterboarding’)”, meldde deze krant zaterdag. In regeringsgebouwen en martelcentra van Birma tot Syrië en Egypte zal het nieuws met belangstelling zijn gevolgd.

„Deze regering martelt niet”, zegt president Bush nog steeds. Maar de memo’s zijn niet ingetrokken, ook al staan ze op gespannen voet met een wet die martelen verbiedt en met de morele basis van Amerika. Er zouden ook weer terreurverdachten in geheime gevangenissen in het buitenland worden gestopt.

En dinsdag bleek dat het Hooggerechtshof weigert een klacht in behandeling te nemen van een onschuldige Duitser van Libanese afkomst, die in het kader van de Amerikaanse terreurbestrijding bij vergissing is ontvoerd, in een Afghaanse gevangenis gestopt en gemarteld.

Geen wonder dat Amerikanen zich vertwijfeld beginnen af te vragen, zoals The New York Times het deze week in een scherp commentaar formuleerde, Is this who we really are?

Dat is niet alleen voor de Amerikanen de vraag, maar ook voor hun bondgenoten. „Respect voor mensenrechten en voor de rechtsstaat is onze diepste drijfveer en onze hoogste aspiratie”, zei Balkenende in diezelfde rede tot de Verenigde Naties.

Het leek niet bedoeld als een terechtwijzing aan het adres van de Amerikaanse regering. Maar het onderstreept wel dat Nederland, met zulke waarden zo hoog in het vaandel, een probleem heeft als Washington met die waarden een loopje neemt. Des te meer omdat Den Haag zichzelf zo graag aanprijst als de juridische hoofdstad van de wereld.

De band met Amerika is een van de pijlers van onze buitenlandse politiek. Maar het opkomen voor de mensenrechten en het bevorderen van de internationale rechtsorde zijn dat ook. „We zijn bondgenoten”, zei minister van Buitenlandse Zaken Verhagen onlangs over de betrekkingen met de Verenigde Staten, „omdat we de belangrijkste waarden delen – democratie, vrijheid, mensenrechten”. Zo zou het moeten zijn, maar kunnen we er nog van op aan dat het ook zo is?

Wanneer je gedeelde waarden zo centraal stelt in je buitenlandse betrekkingen – in plaats van bijvoorbeeld machtspolitieke, economische of veiligheidsoverwegingen – dan neem je een risico. Als het erop begint te lijken dat die waarden niet meer worden nageleefd, dan valt de basis onder je beleid weg.

Juurd Eijsvoogel is redacteur vanNRC Handelsblad.