Nog meer sancties helpen niet

Het Birmese bewind wordt reeds lang onder druk gezet vanuit het Westen, zegt Inge Brees. Meer sancties zullen niet werken, bemiddeling wel.

De gebeurtenissen van de voorbije weken in Birma doen sterk denken aan de laatste grootschalige opstand in het land in 1988. Hoewel de protesten kleinschalig begonnen, heeft het uiteendrijven van die vreedzame betogingen met behulp van traangas en wapenstokken geleid tot algemene verontwaardiging. In tegenstelling tot bijna twintig jaar geleden, toen meer dan 3.000 mensen de dood vonden, kijkt de wereld dit keer mee. Als antwoord kwam ook de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op maandag voor de derde keer bijeen om de situatie in Birma te bespreken.

Reeds de eerste dag van de protesten hadden de Verenigde Staten evenwel aangekondigd extra sancties te zullen treffen op financieel vlak. Dit was echter totaal contraproductief. De Birmese generaals werden immers verrast door de omvang van de protesten en zagen het hoofddoel van hun beleid – de eenheid en stabiliteit van het land – bedreigd door deze gebeurtenissen. Met het aankondigen van extra druk heeft de internationale gemeenschap bij monde van president Bush opnieuw duidelijk gemaakt dat zij deze zorgen van de Birmese junta helemaal niet begrijpt of erkent. Een buitengewone kans om te bemiddelen is daar verloren gegaan. De paranoïde generaals zagen hun vijandige wereldbeeld bevestigd; een wereldbeeld dat zijn wortels kent in het kolonisatietijdperk en in de Chinees-Amerikaanse acties op Birmese bodem in de jaren vijftig. De generaals hebben deze uitdaging dan ook aangepakt op een manier die ze kennen: met geweld. De voorlopige trieste balans van deze actie is officieel een twintigtal doden en ruim tweeduizend arrestaties, maar de cijfers die hier op de Thais-Birmese grens circuleren, liggen dichter in de buurt van tweehonderd doden en tienduizend arrestaties.

Welke rol is hier weggelegd voor de VN? Als de junta nog hardhandiger optreedt bij nieuwe protesten, zal de internationale gemeenschap dan troepen sturen om de Birmese bevolking te beschermen tegen het leger? Dit scenario is hoogst onwaarschijnlijk.

De realiteit is dat geen enkel westers land enig direct belang heeft in dit land, en dat zij China als belangrijkste partner van de Birmese junta niet voor het hoofd willen stoten. Een andere optie is het afkondigen van sancties, zoals de VS en de Europese Unie reeds in het verleden deden. Alleen is zowat iedereen het er intussen over eens dat de sancties hun opzet om het regime klein te krijgen niet hebben bereikt. Een importban voor goederen vanuit Birma naar de VS heeft vooral geleid tot het sluiten van textielfabrieken en werkloosheid, maar heeft verder weinig effect gehad. Feit is dat de economie van Birma georiënteerd is op Azië en niet op het Westen. Andere economische sancties die het Birmese bewind wel zouden treffen, zoals een wereldwijd wapenembargo of stopzetting van buitenlandse investeringen in de olie- en gassector zijn er niet, en zeker dit laatste is niet realistisch. Een ander element van de huidige sancties is de visum-ban voor een reeks Birmese ministers en ambtenaren, wat het logische gevolg van non-communicatie heeft opgeleverd. Met de nieuwe sancties zal deze lijst verder worden uitgebreid. Is dit de oplossing? Of duwen wij de xenofobe generaals nog verder in het gekoesterde isolationisme van de jaren zestig en zeventig?

Voor de VN komt het erop aan om, samen met de Aziatische landen, de situatie diplomatiek voorzichtig maar snel aan te pakken, door op een opbouwende manier te bemiddelen en samen te werken met zowel de oppositie als de junta. Hoewel het moeilijk lijkt om het militaire bewind als gesprekspartner te aanvaarden na de decennia van wanbeleid is dit vanuit realpolitik oogpunt de enige uitweg. Het regime is te sterk geïnstitutionaliseerd om het snel uit de weg te ruimen, dus zij zullen in de nabije toekomst een belangrijke factor blijven. In dit opzicht was het besluit van VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon om meteen een gezant te sturen naar Birma een stap in de goede richting.

Maar alleen de generaals met de vinger wijzen is niet voldoende. Het Birmese bewind wordt al decennialang onder druk gezet door het Westen en is niets anders gewend. Het hervatten van de dialoog tussen de junta en de oppositiepartijen zou moeten verbonden worden aan positieve condities, zoals het opvoeren van de humanitaire hulp of het toelaten van de Birmese premier tot belangrijke internationale vergaderingen. Er moeten dus drijfveren worden aangereikt aan dit regime om anders te handelen: positieve acties moeten erkend worden met een positief gevolg. Bij een regressie, zoals het neerslaan van nieuwe protesten, zijn effectieve sancties zoals een wapenembargo een signaal in de tegengestelde richting.

Pas als de hele internationale gemeenschap, de Aziatische landen incluis, zou meewerken aan een carrots-and-sticks-benadering kan men vooruitgang boeken en manoeuvreren richting machtsdeling tussen de generaals en de oppositie. Een dergelijke gebalanceerde en gecoördineerde aanpak is de enige uitweg uit deze impasse.

Inge Brees is wetenschappelijk medewerker van de Conflict Research Group (Universiteit Gent). Op dit moment is zij in Mae sot, op de Thais-Birmese grens, voor doctoraatsonderzoek naar het leven van Birmese vluchtelingen.