Land dat niemand meer wil hebben

De modernistische bouwwerken van Nikola Dobrovic worden bedreigd door verwaarlozing, onbegrip en het spook van het verleden. „Het komende decennium blijft het belangrijkste gebouw van Belgrado een ruïne.”

Op de houten steiger in de baai van Lapad zingt een groepje bejaarden een Joegoslavische evergreen. „Het is beter dronken dan oud te zijn”, met de flessen bier binnen handbereik. Het zijn de laatste badgasten van de dag, de zon gaat in de verte onder boven de Adriatische Zee, niet ver van de havenstad Dubrovnik. Het gesprek gaat over de oorlog, zestien jaar geleden. Vanaf zee beschoot het Joegoslavische leger de Kroatische kust. Granaten sloegen grote gaten in de betonnen terrassen van de Villa Wolff, op de dichtbegroeide heuvels boven het strand.

De oorlogsschade is provisorisch gerepareerd. Eigenaar Gonzales Wolff weet niet goed wat hij met het bouwwerk aanmoet. Van een afstand ziet het eruit als een parkeergarage in een oerwoud. Nikola Dobrovic (1891-1967), die een hele generatie Joegoslavische architecten zou beïnvloeden, plaatste in 1939 een vierkante betonnen verdieping op een bestaande stenen villa en verbond het geheel met langgerekte terrassen aan de achterliggende heuvel. Ruimte in beweging.

„Hoe kun je hier nu een vierkante doos neerzetten?”, zegt Wolff met gespeelde verbazing, alsof hij de aanbouw net heeft ontdekt. „Een verkwanseling van de Dalmatische cultuur. Ik zet er binnenkort een dak op. Zodra ik een architect heb gevonden die niet wordt gehinderd door respect voor een zogenaamd genie.”

In het betonnen rand van de terrassen zijn door de architect de woorden ‘Parnassos’, ‘Olympos’ en ‘Kosmos’ uitgespaard. Op het hoogste terras is dankzij een voltreffer uit 1991 alleen nog de letter ‘K’ zichtbaar. „Studenten architectuurgeschiedenis zijn er dol op, voor mij als ondernemer staan die gevallen alleen maar in de weg”, zegt Wolff, kleinzoon van de arts die Dobrovic de opdracht gaf van zijn huis een kuuroord te maken. „Platgooien zou de beste oplossing zijn.”

In een ander deel van de voormalige Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië speelt zich hetzelfde probleem in het groot af. De ‘Generale Staf’ bleef een ruïne sinds het in het voorjaar van 1999 door de NATO werd gebombardeerd. Het gebouw van de generale staf van het Joegoslavische leger in de Servische hoofdstad Belgrado wordt beschouwd als het late meesterwerk van de Joegoslavische Le Corbusier. Dankzij inspanningen van lokale architecten kreeg het eind 2005 de status van monument. Servische bestuurders geven er echter weinig om. Omliggende neoclassicistische overheidspaleizen werden na de bommenregen wél liefdevol gerestaureerd.

„Populair is Dobrovic in Belgrado

nooit geweest”, vertelt Bojan Kovaèevic, directeur van het stadsmuseum in de Servische hoofdstad en auteur van een boek over de Generale Staf. „Bij de Servische nationale identiteit horen pronkzalen met kroonluchters en zuilen, geen modernistische bouwsels. Dat vond men zeventig jaar geleden al.” Dobrovic, net als architect Marcel Breuer geboren in de Hongaarse stad Pécs, probeerde in de jaren dertig van de twintigste eeuw tevergeefs voet aan de grond te krijgen in Belgrado, toen hoofdstad van het Koninkrijk Joegoslavië. Hij kreeg het verwijt met zijn door Bauhaus geïnspireerde bouwstijl het bolsjewisme te willen verspreiden. „Dobrovic werd alleen getolereerd omdat zijn broer Petar een bekende schilder was”, aldus Kovaèevic. „Men beschouwde Nikola met zijn Servische vader en Duitse moeder als Europees. Zijn werkdrift botste met het lage tempo in Servië.”

Pas na de Tweede Wereldoorlog krijgt Dobrovic de kans om in Belgrado te bouwen. Hij heeft inmiddels naam gemaakt met een serie villa’s aan de Kroatische kust en in Joegoslavië zijn de communisten aan de macht. De apolitieke architect wordt hoofd van de architectuuropleiding en krijgt grote invloed op het toekomstige aanzien van de door Duitse en geallieerde bombardementen zwaar beschadigde stad. Dobrovic maakt bovendien de eerste schetsen voor Novi Beograd, de satellietstad die door zijn leerlingen volgebouwd zou worden. Onder hem begon volgens Kovaèevic een dictatuur van het modernisme die tot in de jaren zeventig zou duren.

Inspiratie vond Dobrovic zijn hele leven in de ommuurde stad Dubrovnik. Hij bracht de grillige regelmaat van de stenen in de stadsmuren van de vestingstad aan de Adriatische kust naar het centrum van de Joegoslavische hoofdstad Belgrado. De gevelbekleding van het gebouw van de generale staf kreeg dezelfde vorm. In de serie villa’s die hij aan de Kroatische kust zou bouwen legt hij een verband tussen de steile palazzo’s uit het centrum van Dubrovnik en de vormen van de Internationale Stijl van Le Corbusier en Mies van der Rohe.

De deels verwoeste Generale Staf is het enige gebouw dat Dobrovic neerzette in Belgrado. Het staat aan weerszijden van de Nemanjina-straat, waardoor het de vorm heeft van een kloof. Het is een verwijzing naar een kloof in Bosnië waar Tito’s Partizanen in de Tweede Wereldoorlog de beslissende slag tegen de nazi’s leverden. Vanaf de straat kun je de zon nu door de bomgaten in het dak zien schijnen. De ordners staan nog in de kasten. Hele verdiepingen zijn verzakt. Op de bovenste etage groeien struiken. De spectaculaire bouwval is populair bij toeristen. Voor politici is het een relict van Joegoslavië en een afgedankt communistisch verleden. „Dobrovic varieert op de expressionistische architectuur van de jaren twintig, met communisme had hij niets van doen”, zegt Kovaèevic met een zucht. „Het komende decennium blijft het belangrijkste gebouw van Belgrado een ruïne.”

Dezelfde argumenten die Dobrovic verhinderen

in Belgrado te bouwen, werken aanvankelijk tegen hem als hij zich in 1934 in Dubrovnik vestigt. Zijn Kroatische ontwerpen verwijzen in hun detaillering naar de stadspaleizen, zomerhuizen en de stadsmuren die hij daar aantreft, maar in de conservatieve vestingstad zien veel mensen er vooral een bedreiging van nationale tradities in. Dobrovic’ ontwerp voor een Kursaal, net buiten de historische stadsmuren, wordt nooit uitgevoerd.

Het zijn welgestelde individualisten als kapitein Antun Sesan die hem zijn gang laten gaan. Sesan huurt Dobrovic in om op het eiland Lopud, een half uur varen van Dubrovnik, zijn droom van een modern hotel te realiseren. „De kapitein was een man met stijl”, zegt Ljubo Pulic, een nakomeling van Sesan en manager van hotel Glavovic op Lopud. „Hij ontving zijn gasten in kapiteinskostuum, met een cocktail in zijn hand, op wat hij de kapiteinsbrug van het gebouw noemde.”

De familie raakte het gebouw kwijt aan de Joegoslavische staat na de Tweede Wereldoorlog, waarin het was gebruikt als verzamelpunt voor te deporteren joden. Het vier verdiepingen tellende witte hotel gaat inmiddels schuil achter tien meter hoge palmbomen.

Ook Hotel Grand lag tijdens de Joegoslavische oorlog in 1991 in de vuurlinie, vertelt oud-kelner Ivo Zec, die nu in de schaduw van het hotel een pension runt. De granaten sloegen in zijn citrusboomgaard, maar het hotel bleef onbeschadigd. Gasten kwamen er toen al lang niet meer. Het Grand voldeed niet meer aan de eisen van de moderne toerist, met zijn kamers van maximaal zestien vierkante meter en het toilet op de gang. Kapitein Sesan had Dobrovic de opdracht gegeven een hotel als een oceaanstomer te maken met kamers sober als kajuiten, alleen om te slapen. Luxe anno 1936. Bedden, kasten, banken en de bar zijn van beton.

„Ik heb in vijf hotels gewerkt en het Grand was het mooiste”, zegt Zec. Sinds vorige zomer is er weer activiteit bij de buren van de pensionhouder. Atlantska Plovidba, een rederij uit Dubrovnik, restaureert het hotel dat in 2008 weer als vier sterren hotel open moet gaan – ‘in de geest van Dobrovic’, aldus een woordvoeder. Ivo Zec weet dat er haast bij is. „Het hotel staat nog in de reisgidsen voor Joegoslavië die ik toeristen nog steeds zie gebruiken. Daar moet je van profiteren.”

De telefoons in Joegoslavië

waren van Iskra uit Slovenië, chocola kwam van Kras uit Kroatië en de Zastava auto liep in Servië van de band. Namen van popgroepen die in de hele federatie in de hitparade stonden leven wellicht ook nog een paar jaar voort, maar er is geen gemeenschappelijke culturele Joegoslavische canon van schilders, dichters en architecten die wordt herdacht tussen Zagreb en Belgrado. Na het uiteenvallen van Joegoslavië raakt het gedeelde verleden van de Balkanfederatie in de vergetelheid. De historici in de verschillende republieken zoeken naar nieuwe nationale symbolen, niet naar wat hen in de twintigste eeuw met hun broeders op de Balkan verbond. Als Nikola Dobrovic over twintig jaar nog wordt herdacht ,dan is het niet als Joegoslaaf, maar als een groot Serviër of Kroaat, zoals nu met wisselstroompionier Nikola Tesla gebeurt.

Terwijl Warschau, Moskou en Oost-Berlijn werden volgebouwd met Stalinistische suikertaarten, kreeg Joegoslavië dankzij Dobrovic een eigen gezicht. Maar het gebouw van de Generale Staf in Belgrado wordt nu niet langer beschouwd als kroon op een schitterend oeuvre dat op een Kroatisch eiland tot wasdom kwam, noch als het hoogtepunt van de Joegoslavische ‘Sonderweg’ in politiek en architectuur. Omdat niemand het grote plaatje ziet, is zijn erfenis in gevaar. Nikola Dobrovic bouwde een land dat niemand meer wil.