Kinderpoëzie wordt zorgenkind

Gerrit Komrij’s nieuwe bloemlezing loopt goed, maar verder leidt de poëzie voor de jeugd een kwijnend bestaan, ook deze Kinderboekenweek.

Kinderen bij boekhandel Paagman in Den Haag Foto Johannes van Assem foto Johannes van Assem 11-10-2007, den Haag. In boekhandel paagman in den haag ligt de bloemlezing van Gerrit komrij over Nederlandse kinderpoezie.

Dichteres Monique Hagen gaf maandagochtend een workshop op een basisschool, waarbij ze kinderen van een jaar of tien gedichten liet schrijven: „Eén meisje schreef zo’n prachtig gedicht over haar net overleden moeder, dat haar onderwijzeres diep ontroerd raakte.” De onderwijzeres had nog lang tranen in haar ogen.

In de winkel van boekhandelaar Nadine Paagman in Den Haag, waar op woensdagmiddag tientallen kinderen enthousiast jagen op boeken en schrijvers, liggen de ‘hardlopers’ hoog opgestapeld. Daaronder ook de net verschenen bloemlezing van Nederlandse kinderpoëzie die Gerrit Komrij heeft gemaakt. „De Komrij-bundel verkoopt goed, heel erg goed”, zegt Paagman.

Twee aanwijzingen tijdens de Kinderboekenweek, die morgen afloopt, dat het goed gaat met de poëzie voor kinderen in Nederland. Er zijn meer van die aanwijzingen. Vorige week werd voor het eerst een speciale Zilveren Griffel uitgereikt voor een dichtbundel. Van Aan de rivier van Steven Herrick zijn al ruim 1.600 exemplaren verkocht, niet slecht voor dit beeldschone maar weerbarstige epos uit Australië. Jij bent de liefste van Hans en Monique Hagen is zelfs een bestseller.

In werkelijkheid, zo klinkt het in de kinderboekenwereld, kwijnt de poëzie voor kinderen weg. „Komrij en de Hagens zijn uitzonderingen. „Van een dichtbundel verkoop ik elke maand met veel moeite enkele exemplaren”, zegt Paagman. De verkoop van kinderpoëzie is altijd moeilijk geweest, zegt Bärbel Dorweiler van Querido, de grootste uitgever op dit terrein: „Maar het gaat nu slechter dan ooit. Verkochten we enkele jaren terug van een bundel nog vijftienhonderd exemplaren, nu is dat minder dan duizend – soms zelfs maar vijfhonderd.”

De kinderpoëzie is daarmee het belangrijkste slachtoffer van de huidige overvloed aan kinder- en jeugdboeken. De schappen in de boekhandel worden overspoeld met bestsellers en meer nog met boeken die dat moeten worden. Voor de Kinderboekenweek zetten uitgevers en boekverkopers een deel daarvan in de ‘Boekenmolen’, een selectie waarin geen plaats is voor dichtbundels.

„Het is lastig om ouders en grootouders ervan te overtuigen om iets buiten de Boekenmolen te kopen, om een kind eens wat anders te geven dan een spannend boek”, zegt Paagman. „Bij de volwassen boekenkopers heerst toch angst voor het onbekende.”

[Vervolg KINDERPOËZIE: pagina 9]

KINDERPOËZIE

‘Leer ze één gedicht per jaar’

[Vervolg van pagina 1] Dat klopt zegt Dorweiler van Querido: „Net als gedichten voor volwassenen hebben kindergedichten het imago ‘moeilijk’.”

Terwijl gedichten juist zo veel te bieden hebben, zegt Paagman vurig. „In kinderpoëzie worden gewone herkenbare dingen iets bijzonders. Een goed gedicht zet een kind even aan het denken door zaken speels een beetje te draaien.” In de Komrijbundel staan daarvan tal van voorbeelden, zoals deze regels van Harrie Jekkers en Koos Meinderts: „Vuur is koud en kleddernat,/ de zee is lekker droog,/ de ballon die stijgt omlaag/ en de baksteen valt omhoog.”

Kinderen krijgen dergelijke regels nauwelijks te lezen of te horen. Op scholen leren kinderen weinig liedjes, nauwelijks versjes en geen gedichten. „Een vierregelig versje voor vaderdag, dat is alles”, zegt directeur Ben van der Hel van de Henri Dunantschool in Sliedrecht. De Annie M.G. Schmidtschool in Amsterdam-west, vernoemd naar Nederlands grootste kinderdichter, meldt: „Wij hebben niets met kinderpoëzie.” Zelfs kant en klare pakketten – met boeken, lesmateriaal en schrijversbezoeken – zijn vaak lastig te slijten aan scholen, vertellen boekhandelaren en uitgevers. Daarom overweegt Querido om minder traditionele bundels uit te brengen en meer verzamelbundels, zegt Dorweiler: „Misschien een soort jaarboek met poëzie met werk van meerdere dichters, dat is naar verhouding goedkoper.”

Tot de weinige scholen die nu al werk maken van poëzie, hoort de Henri Dunantschool in Sliedrecht, waar Monique Hagen workshop gaf. Directeur Van der Hel: „Onze leerlingen worden gestimuleerd om de taal creatief te gebruiken. Sommige onderwijzers maken ook wel elfjes – gedichten van elf woorden – met leerlingen.”

Dat is kenmerkend voor de aanpak op poëziebewuste scholen, zegt dichter Hans Hagen: „Kinderen lezen of horen geen gedichten, ze schrijven gedichten.” Hij geeft ook workshops: „Dan laat ik een kind een elfje maken over een dier, een hond ofzo, en bespreek dat. Dan leer ik ze bijvoorbeeld: ‘Je kunt zeggen: hij is mooi. Dat kost drie woorden. Je kunt ook zeggen. Mooi lief pluizig. Ook drie woorden, maar meer betekenis’.”

Zouden kinderen niet een paar gedichten uit hun hoofd moeten kennen? „Ik was altijd slecht in psalmen leren,” zegt Hagen aarzelend: „Maar één gedicht per jaar zou toch moeten kunnen.” Boekhandelaar Paagman voelt wel voor een kleine canon van kindergedichten: „Waarom niet? Het is een goede manier om met poëzie kennis te maken.” Want zoals Johanna Kruit dichtte: „Een dichter is een vreemd persoon./ maar verder is hij heel gewoon.”

In Boeken vandaag: een bespreking van Gerrit Komrij’s bloemlezing van kinderpoëzie