In de kou

Twee iconen dreigen in korte tijd het neoconservatieve deel van de Nederlandse natie te ontvallen: Ayaan Hirsi Ali en Ehsan Jami. Jami bleek een naïeve marionet van adviseurs, van wie sommigen in de eerste plaats de PvdA wilden beschadigen; Hirsi Ali verspeelde haar laatste krediet bij het grote publiek met een onverwachte terugkomst naar een land dat ze daarvoor steeds openlijker leek te minachten.

Opgeruimd staat netjes, zou je met enig cynisme kunnen zeggen. De vraag is wel: hoe netjes is dat opruimen verlopen? In het geval van Hirsi Ali geeft het antwoord te denken. Sympathieën of antipathieën jegens haar mogen daarbij geen rol spelen – het gaat om de feiten.

Die spreken niet in het voordeel van degenen die nu, onder aanvoering van premier Balkenende, hun handen van haar aftrekken met de bijna expliciete woorden: „Donder maar op, we hebben genoeg van je.”

De feiten zijn voor een belangrijk deel te putten uit de reconstructie die Joost Oranje voor deze krant (6 oktober) schreef en uit overheidsdocumenten die sindsdien openbaar werden. Na lezing daarvan vraag je je verbaasd af hoe het mogelijk was dat de Tweede Kamer gisteren Hirsi Ali zó onbarmhartig in de kou liet staan.

Ze had opeens weinig vrienden meer onder de collega’s die een poosje geleden nog ontroerd afscheid van haar namen. Alleen GroenLinks, D66 en Kalma (PvdA) stemden voor een motie waarin haar nog even uitstel werd gegund om een beveiligd verblijf in de Verenigde Staten te realiseren. Ze moest het voortaan maar zelf uitzoeken

Het feitenrelaas is ingewikkeld met al die data en gesprekken – dat maakt het moeilijk voor Hirsi Ali om de publieke opinie in deze zaak voor zich te winnen. In de kern komt het op het volgende neer. Minister Donner liet in het vage wat hij precies verstond onder „een verantwoorde overdracht van beveiligingsmaatregelen” aan de VS. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en een politiek assistent van vicepremier Zalm gaven echter ronduit geruststellende signalen af: het kwam wel goed. Het gevolg was dat Hirsi Ali naar de Verenigde Staten vertrok zonder te weten dat de beveiliging daar zou aflopen.

De ‘overdracht’ van Donner bleek weinig voor te stellen. Hij wist kennelijk niet dat de Amerikanen nooit permanente persoonsbeveiliging aan individuele burgers als Hirsi Ali geven. Toen hakte Hirsch Ballin, de opvolger van Donner, de knoop door: het moest afgelopen zijn. Hirsch Ballin heeft daarna de termijn voor het aflopen van de beveiliging tweemaal verlengd.

Dat lijkt nobel, maar het was na alle tegenstrijdige signalen van de overheid aan Hirsi Ali nobeler geweest als er nog één termijn bij gekomen was. Dan had ze de tijd gehad om de sponsors te vergaren die ze eerder, door het ontbreken van een green card, niet kon krijgen. Een extra termijn van drie maanden of een halfjaar, wat was daar nou tegen geweest? Het geld, hooguit een half miljoen euro? In ruil daarvoor had Nederland veel buitenlandse goodwill verdiend, die het nu voor lange tijd verspeeld heeft.

Hirsi Ali moet sinds 1 oktober op ad hoc-basis haar eigen veiligheid in de Verenigde Staten regelen. Als haar iets overkomt, heeft Nederland, zeer eufemistisch gezegd, een probleem.