Het wordt tijd voor afkoeling van het klimaatdebat

Nobelprijswinnaar Al Gore ijvert voor onmiddellijke vermindering van de CO2-uitstoot. Maar Bjørn Lomborg vindt deze overhaaste actie geldverspilling.

Alle ogen zijn gericht op de smeltende gletsjers van Groenland. Dit jaar zijn al delegaties van Amerikaanse en Europese politici op bedevaart geweest naar de snelst bewegende gletsjer van Ilulissat. Vreemd genoeg wordt zelden vermeld dat in 1941 de temperaturen in Groenland hoger waren dan nu. Of dat de smeltsnelheden rond Ilulissat begin vorige eeuw hoger lagen.

Ik vertel dit niet om vraagtekens te zetten bij de realiteit van de opwarming van de aarde of het gegeven dat deze voor een groot deel door mensen wordt veroorzaakt, maar omdat de discussie over klimaatverandering is uitgegroeid tot een gehakketak waarbij de ene partij betoogt dat we op een ramp afkoersen en de andere volhoudt dat het allemaal vals alarm is.

Ik zeg dat geen van beide gelijk heeft. Het is onjuist om te ontkennen wat overduidelijk is: de aarde warmt op, en wel door ons toedoen. Maar dat is niet het hele verhaal, en ook de voorspellingen over onheil kloppen niet.

We moeten weer een basis vinden waarop we een zinnig gesprek kunnen voeren. We mogen de klimaatverandering niet ontkennen of doen alsof er geen maatregelen tegen te nemen zijn. Maar naast de voordelen moeten we wel eerlijk vertellen wat de gebreken en de kosten van die maatregelen zijn.

Volgens de milieubeweging is de enige manier om iets aan de gevolgen van het broeikaseffect te doen een drastische vermindering van de CO2-uitstoot – een project dat de wereld biljoenen dollars zal kosten. Alleen het al Kyoto-protocol zou jaarlijks 180 miljard dollar kosten. Het onderzoek dat ik de afgelopen tien jaar heb gedaan, sinds mijn eerste boek, De sceptische milieuactivist, heeft me de overtuiging gegeven dat deze benadering niet deugt – met enorme uitgaven wordt heel weinig bereikt. In plaats hiervan zouden we pragmatisch moeten bedenken hoe we de veel grotere beproevingen waarmee onze planeet te kampen heeft, kunnen bestrijden.

Niemand weet zeker hoe de klimaatverandering zal verlopen. Maar we moeten afgaan op de ramingen die het breedst worden aanvaard. Volgens de VN-organisatie IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) zal het zeewater deze eeuw 15 tot 60 centimeter stijgen, en naar verwachting een centimeter of 30, voornamelijk doordat water als het opwarmt uitzet. Dit is zo ongeveer wat de wereld de laatste 150 jaar heeft meegemaakt.

Sommigen schamperen dat de IPCC ernstig heeft onderschat hoe hard de gletsjers smelten, vooral in Groenland. In werkelijkheid heeft de IPCC de vermoedelijke afsmelting in Groenland (die deze eeuw een kleine 3 cm aan de zeestijging zal bijdragen) verrekend met Antarctica (waar meer neerslag valt, zodat het ijs zal toenemen en het zeewater in 2100 5 cm gedaald zal zijn).

Een stijging van het zeewater van 30 centimeter is geen ramp, al zal ze wel problemen geven, vooral voor kleine eilandstaten. Maar laten we wel bedenken dat toen afgelopen eeuw het zeewater steeg er heel weinig land verloren is gegaan. Het kost betrekkelijk weinig om het land tegen de hogere getijden te beschermen: we kunnen moerasland droogleggen, dijken bouwen en waterwegen omleiden.

De IPCC houdt ons twee dingen voor: als we ons richten op de economische ontwikkeling en de opwarming van de aarde negeren, zullen we het zeewater tot 2100 vermoedelijk met 32 centimeter zien stijgen. Richten we ons daarentegen op de zorg voor het milieu en besluiten we tot de sterke beperking van de CO2-uitstoot, dan zou dat die stijging met zo’n 13 centimeter kunnen verminderen. Maar de beperking heeft een prijs: iedereen zou in 2100 armer zijn. Met minder geld om het land tegen de zee te beschermen, zou een beperking van de CO2-uitstoot het verlies van meer droog land betekenen, vooral in gebieden als Micronesië, Tuvalu, Vietnam, Bangladesh en de Falklandeilanden.

Ook de temperaturen zullen stijgen. Het lijkt logisch om meer hittegolven en dus meer doden te verwachten. Maar met stijgende temperaturen zullen ook het aantal koudegolven verminderen. Dit is belangrijk omdat uit onderzoek blijkt dat kou een veel grotere moordenaar is dan hitte. Volgens de eerste complete studie van het effect van de klimaatverandering op de volksgezondheid, zal de opwarming van de aarde zelfs levens sparen. In 2050 zullen door de aardopwarming jaarlijks naar schatting 400.000 meer mensen aan de hitte overlijden. Maar tegelijkertijd zullen 1,8 miljoen minder mensen van de kou omkomen.

Het Kyoto-protocol is geen zinvolle manier om te voorkomen dat mensen door toekomstige hittegolven bezwijken. Stedenbouwkundigen zouden tegen veel lagere kosten de temperaturen in risicosteden kunnen verlagen door de aanplant van bomen en waterpartijen en door minder asfalt.

Door de opwarming van de aarde zal het aantal mensen dat gevaar loopt malaria te krijgen, met zo’n 3 procent toenemen. Uitvoering van het Kyoto-protocol zou de kans op malaria met 0,2 procent verminderen. Anderzijds zouden we door jaarlijks 3 miljard dollar – slechts 2 procent van de kosten van het protocol – aan klamboes en medicijnen te besteden het malariacijfer binnen tien jaar kunnen halveren. In Afrika ten zuiden van de Sahara stijgt het aantal doden door malaria, maar dit heeft niets met klimaatverandering en alles met armoede te maken: arme, corrupte regeringen hebben moeite met de bekostiging van geïmpregneerde klamboes die zouden helpen om de ziekte uit te bannen. Maar voor elke dollar die we uitgeven om met behulp van maatregelen als het Kyoto-protocol één persoon te redden, zouden we er via direct ingrijpen 36.000 kunnen redden.

Natuurlijk bekommeren we ons niet alleen om mensen. Milieudeskundigen wijzen erop dat prachtige beesten als ijsberen door de opwarming van de aarde zullen worden gedecimeerd, omdat hun ijzige leefomgeving smelt. Het Kyoto-protocol zou maar één beer per jaar sparen. Maar volgens de IUCN (International Union for the Conservation of Nature) doden jagers elk jaar 300 tot 500 ijsberen. Een verbod op deze slachtpartij zou goedkoop en eenvoudig zijn – en heel wat doeltreffender dan een wereldpact tegen CO2-uitstoot.

Waar u ook kijkt – de onontkoombare conclusie is dezelfde: beperking van de CO2-uitstoot is niet de beste manier om de wereld te helpen. Ik zeg dit niet om dwars te liggen. Op den duur moeten we wel degelijk iets aan de aardopwarming doen. Maar ik stoor me aan onze blinde nadruk op maatregelen die niet hun doel zullen bereiken.

In 1992 beloofden de rijke landen hun CO2-uitstoot in 2000 tot het peil van 1990 te zullen terugbrengen. In plaats daarvan groeide de uitstoot met 12 procent. In 1997 beloofden ze hun uitstoot in 2010 tot 5 procent onder het peil van 1990 te zullen terugbrengen. Maar vermoedelijk zal het peil toch 25 procent hoger zijn dan waarop was gehoopt.

Het Kyoto-protocol loopt af in 2012. Eind 2009 zullen de VN-leden in Kopenhagen over de vervanging ervan spreken. Politici beklemtonen dat het ‘volgende Kyoto-protocol’ nog strikter zou moeten zijn. Maar na twee spectaculaire mislukkingen moeten we ons afvragen of het wel de juiste aanpak is ‘om het nog maar eens te proberen en ditmaal naar veel hogere reducties te streven’.

Zelfs al zouden de eerdere beloften van de beleidsvormers zijn ingelost, dan zouden we daar vrijwel niets mee opgeschoten zijn maar hadden ze ons wel een klein fortuin gekost. Uit de klimaatmodellen blijkt dat Kyoto de gevolgen van de aardopwarming aan het eind van deze eeuw met zeven dagen zou hebben vertraagd. Ook als de Verenigde Staten en Australië zouden hebben meegedaan en iedereen zou zich deze hele eeuw aan Kyoto hebben gehouden, dan zouden we de gevolgen van de aardopwarming maar vijf jaar hebben uitgesteld.

Voorstanders van pacten als dat van Kyoto willen ons enorme geldbedragen laten uitgeven waarmee de aarde over honderd jaar maar bar weinig opschiet. We moeten een slimmere manier bedenken. De eerste stap is dat we inzetten op een sterke vereenvoudiging van de beperking van onze CO2-uitstoot.

De doorsnee prijs om een ton CO2 minder uit te stoten is op het ogenblik zo’n 20 dollar. Maar volgens een vloed van wetenschappelijke literatuur is de schade van een ton kooldioxide in de atmosfeer ongeveer 2 dollar. Een besteding van 20 dollar aan iets met een waarde van 2 dollar is geen slim beleid, al geeft het misschien een goed gevoel.

We moeten de kosten van de uitstootvermindering terugbrengen van 20 dollar per ton naar bijvoorbeeld 2 dollar. Daarmee zou het niet voorbehouden blijven aan de rijken om het milieu te helpen, maar zou deze mogelijkheid voor iedereen worden geopend – waaronder China en India, die naar verwachting de grootste uitstoot van de 21ste eeuw zullen produceren, maar die eerst nog dringender zaken hebben af te wikkelen.

Een en ander is te bereiken door de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling van energie met een lage CO2-uitstoot drastisch te verhogen. Ideaal gezien zou elk land zich moeten verbinden om 0,05 procent van zijn bruto binnenlands product te besteden aan onderzoek van energietechnieken die geen kooldioxide uitstoten, dus van wind-, golf- of zonne-energie, of aan de opvang van de CO2-uitstoot uit elektriciteitscentrales. Bij elkaar zouden deze uitgaven zo’n 25 miljard dollar per jaar kunnen belopen. Daarmee zijn ze zeven maal lager dan het Kyoto-protocol, maar ze zouden wel een vertienvoudiging van ’s werelds onderzoek inhouden. Alle landen zouden erbij betrokken zijn, zij het dat de rijkere wel het leeuwendeel zouden betalen.

We moeten accepteren dat klimaatverandering een realiteit is en dat we die zelf hebben helpen veroorzaken. Het is geen vals alarm. Maar er is ook geen apocalyps ophanden.

Voor sommige mensen is beperking van de CO2-uitstoot inmiddels het antwoord dat losstaat van elke vraag. Beperking van de uitstoot wordt de ‘opdracht van onze generatie’ genoemd. Maar willen we niet eerst de meest doeltreffende maatregelen nemen?

De bestrijding van de werkelijke klimaatbeproevingen waar de aarde mee te kampen heeft – malaria, meer doden als gevolg van hitte, een dalende ijsbeerstand – vergen vaak eenvoudiger, minder chique maatregelen dan beperking van de CO2-uitstoot. Ook moeten we bedenken dat de 21ste eeuw nog allerlei andere beproevingen in petto heeft waar we oplossingen voor moeten hebben.

Ik begon in 2004 met het Copenhagen Consensus-project om een aantal topeconomen bijeen te brengen en hun niet alleen te vragen waar we iets goeds konden verrichten en tegen welke kosten, maar ook om een rangorde vast te stellen waarin het beste voor de wereld het eerst zou worden gedaan. De hoogste prioriteiten waarmee zij kwamen waren de bestrijding van besmettelijke ziekten, ondervoeding, landbouwonderzoek en toegang van de eerste wereld tot de landbouw van de derde wereld. Voor minder dan een vijfde van het prijskaartje van Kyoto zouden we al deze kwesties kunnen oplossen.

Vanzelfsprekend moeten we ook aan een langetermijnoplossing voor de klimaatverandering werken. Hiervoor zal een politieke wil nodig zijn die zich uitstrekt over politieke partijen, continenten en generaties. Als wij investeren in onderzoek, zullen we op den duur werkelijk iets goeds doen, in plaats van alleen nu een goed gevoel te hebben.

Maar het beste antwoord op de opwarming van de aarde is moeilijk te geven te midden van verbeten geruzie dat een zinnige dialoog uitsluit. Eerst moet dan ook ons debat afkoelen.

© Los Angeles Times