Het geheugen in hout

Dendrochronologisch onderzoek. Aflevering in een serie over bomen in Nederland.

Er staan miljoenen bomen in Nederland en die zijn nu allemaal aan het afronden, de jaarringen 2007 zijn voltooid.

„Droog voorjaar, warme en natte zomer”, vat Ute Sass-Klaassen samen. „Ik verwacht een brede jaarring.” Zij is 44 en verbonden aan Wageningen Universiteit, bosecologie & bosbeheer. Haar terrein is de dendrochronologie.

Jaarringen weerspiegelen het verstrijken van de tijd. Bomen beginnen het groeiseizoen met grote cellen met dunne wanden, die makkelijk water transporteren, en eindigen met kleine cellen met dikke wanden, die meer stevigheid geven. De kleur verschuift daarbij van licht naar donker. De volgende lichte ring markeert het begin van het volgende groeiseizoen. Bij veel bomen worden de jaarringen naar buiten toe smaller – er is steeds meer hout voor nodig.

Jaarringen worden tot op 0,01 millimeter nauwkeurig afgelezen onder een microscoop met een beweegbare meettafel. Dat vereist een geoefend oog, een computer kan het niet.

Nu zie je in het veld vaak twee eiken naast elkaar die, hoewel kennelijk van dezelfde jaargang, fors verschillen in omvang. „De absolute maat”, zegt Ute, „is niet zo interessant. Ons gaat het om de jaarlijkse schommelingen.”

Je neemt van een boom zijn gemiddelde groei en zet daar zijn jaarcijfers op af. Dan vertonen die twee eiken, zo verschillend in omvang, precies hetzelfde patroon. Bij voldoende gegevens spreken we van een chronologie, een beschreven geschiedenis van boomgroei, per soort, per standplaats. In Wageningen werken ze aan een chronologie van de grove den.

Dat begint met het nemen van een monster met een holle boor, zo dicht mogelijk bij de voet, want daar groeit een boom het langst. Met de oudste levende grove den bestrijk je pakweg 230 jaar. Dan zoek je dennenhout met een historische achtergrond – bouwhout, heipalen o.i.d. Met wat geluk overlappen de jongste jaarringen de bestaande chronologie en helpen de oudste je verder terug in de tijd. Uiteindelijk kun je nog overstappen op hout met een archeologische achtergrond, hout dat bewaard is gebleven in de bodem.

Zo beschikt men in Duitsland inmiddels over een aaneengesloten chronologie van riviereiken die tienduizend jaar beslaat. In Nederland hebben we overeenkomstige gegevens over veeneiken van 3600 vóór tot 500 ná Christus (toen was het, door menselijk ingrijpen in het landschap, gedaan met de veeneik).

Twee dingen nu. Eén: wordt ergens in de Hollandse klei een Romeins scheepswrak aangetroffen, dan kun je in de chronologie opzoeken waar en wanneer de verwerkte eiken zijn gekapt. Twee: uit de chronologie kun je effecten op langere termijn afleiden, veranderingen in klimaat bijvoorbeeld.

„Goed”, zeg ik, „beleven we unieke tijden of niet?”

„Vanuit mijn vakgebied”, zegt Ute, „kan ik dat niet bevestigen. We zien in deze jaarreeksen dat er méér periodes zijn geweest met stress bij eiken.”

„Ook in zo’n kort tijdsbestek?”

„Heel abrupt soms.”

„Maar als je nou de afgelopen vijftig jaar overziet?”

„Dan zien we”, zegt ze, „eigenlijk weinig verandering. Het punt is: wat wij als extreem ervaren, ervaren bomen misschien helemaal niet zo.”

Neem de zomer van 2003, extreme droogte in juli en augustus. Dan verwacht je zoiets als 1976, heel smalle jaarringen; 1976 herken je bij elke boom meteen. Maar 2003, dendrologen togen handenwrijvend aan het werk – niets bijzonders. Dan moet je naar het voorafgaande najaar kijken (hoeveel reserves bomen konden opslaan) en/of het aansluitende najaar (hoelang ze konden doorgaan met groeien).

Al met al reageren eiken sterker op neerslag dan op temperatuur (en dan vooral op winterneerslag, de vóórraad waaruit ze kunnen putten). Voorlopig zeggen hun jaarringen dan ook meer over ons gerommel met het grondwater dan met het klimaat.

Intussen is er wel wat gaande aan de randen van verspreidingsgebieden. Boomsoorten breiden uit of verdringen elkaar. Maar dat is buiten Nederland – onze natuur is nog zo gematigd – en op een ander vakgebied.

Koos van Zomeren