Grumpy Old Menversus Les Bleus

Sinds de verrassende zege op Nieuw Zeeland leeft het WK pas echt in Frankrijk

De rugbyers zijn een voorbeeld voor de natie.

Het moest het WK worden waarop het rugby bewees een grote sport te zijn – althans in gastland Frankrijk. Zo’n grandioos sportevenement waarvan een land zich beter gaat voelen – met aanstekelijke winning mood, gemeenschapszin, oplopende consumptie, betere sociale verhoudingen. Een remake dus van het WK voetbal in 1998, toen Frankrijk in eigen land wereldkampioen werd – en meteen weer in zijn eigen samenleving geloofde.

Maar het leek wekenlang niet te lukken. Het rugby wilde maar niet ‘een soort voetbal’ worden – zeker niet nadat Les Bleus de openingswedstrijd tegen outsider Argentinië verloren. Natuurlijk, er kwamen wel jongetjes eens een try proberen of een snelle ren met bal naar voren demonstreren, op een van de vele oefenbanen die in tal van steden zijn aangelegd bij de ingang van treinstations. Maar waar waren de helden, de hoop, het voorbeeld voor het land?

Vorige week zaterdagavond was de ommekeer. Alles begon gewoon. Het terras bij Bercy in Parijs was een podium voor ironische opmerkingen en berustende glimlachjes, als op het scherm weer eens te zien was hoe een Franse bal buiten de palen zeilde. Rugby, mooie sport, maar geen grote sport waaraan een natie zelfvertrouwen kon ontlenen. In elk geval niet met Nieuw Zeeland als tegenstander. Het stond in no time 13-0. Ook de eerste Franse puntjes brachten geen omslag in de stemming.

De 55ste minuut. Het fragiele wonderkind – zoals hij sindsdien heet – Lionel Beauxis bracht het Franse team voor het eerst voorbij Nieuw Zeeland. Het terras explodeerde. Heel Frankrijk explodeerde. Rugby was dus wél een grote sport. De spelers iconen van strijdlust. Van kameraadschap. Discipline. Van volhouden ondanks tegenspoed. Een voorbeeld voor de natie. Voor de president zelfs, die op de tribune in Cardiff zat met een stoet vrienden uit showbizz en regering. „Geloofden jullie er nog in?”, vroeg Sarkozy aan wie het horen wilde. „Ik twijfelde!”

De stemming in het land sloeg om. Sinds een week leeft rugby pas echt – en niet alleen in rugbystad Toulouse. Rugbyclubs in het hele land melden een hausse aan aanmeldingen. De mêlee (scrum) dringt door het politieke spraakgebruik, en op verjaardagsfeestjes en in de bedrijfskantine klinken beloftes om iemand eens een lesje te leren niet meer hetzelfde: nu zeg je dat iemand een ‘plaque’ gaat verkopen – een rugbytackle – de beuk erin.

De Fransen wanen zich niet onoverwinnelijk. En zeker niet tegen de Engelsen, die ook een wonderbaarlijke wederopstanding hebben doorgemaakt en die vier jaar geleden in de halve finale nog te sterk waren voor de Fransen. Maar er is iets veranderd in het Franse geloof in eigen kunnen. Voor het eerst dit toernooi heeft bondscoach Bernard Laporte voor morgen geen wijzigingen in de opstelling aangebracht vergeleken met de vorige wedstrijd. De hoop op herhaling herleeft. Herhaling van 1998, herhaling van vorige week. De tafeltjes op de terrassen zijn gereserveerd.