Brandend Rome kan wachten

‘Oh, Christ’ zei Doris Lessing toen ze gisteren op 87-jarige leeftijd de Nobelprijs kreeg. Haar beroemdste roman is ‘The Golden Notebook’.

Nu Doris Lessing dan toch nog, hoogbejaard, zeker twintig jaar te laat en dus meer bij wijze van eerherstel dan van eerbetoon, de Nobelprijs voor literatuur heeft gekregen, herleeft onvermijdelijk de discussie over haar rol als feministisch boegbeeld. Zeker is in dat haar boeken en vooral de ontregelende experimentele roman The Golden Notebook veel hebben betekend voor zich emanciperende individuele vrouwen en de feministische beweging die in de jaren zestig van de vorige eeuw op gang kwam.

Toen The Golden Notebook in 1962 verscheen was Lessing, opgegroeid in Rhodesië en inmiddels wonend in Londen, 43 jaar oud. Ze had een vrijgevochten leven achter de rug, twee echtgenoten ‘versleten’, activiteiten ontplooid in de communistische partij en een behoorlijk oeuvre op haar naam staan. Vooral uit de in Afrika spelende semi-autobiografische cyclus Children of Violence over het personage Martha Quest sprak een feministische visie. In Nederland was het Hella Haasse die de Martha Quest-romans aanprees als ‘de queeste van een vrouw op amoureus en maatschappelijk gebied’.

Met The Golden Notebook ging Lessing een stap verder: hier geen ‘queeste’ meer, maar een ambitieuze ideeënroman over de psychisch desintegratie van een verscheurde linkse vrouw in het bekrompen Londen ten tijde van de Koude Oorlog, vechtend voor politieke klaarheid en seksuele autonomie. De hoofdpersoon houdt vijf dagboeken bij voor haar gedachten over Afrika, de communistische partij, mannen en seks, psychoanalyse, en droomduiding.

Ik las de ontboezemingen van het personage, de gespleten schrijfster Anna Wulf, in de jaren zeventig. Ze maakten diepe indruk. Grote literatuur, maar dat niet alleen, het boek was welhaast een bijbel voor vrouwen die zich bezig hieden met de verhouding feminisme-socialisme en met de vraag waarom persoonlijke aangelegenheden van vrouwen politieke issues waren. Menige lezeres maakte het zelfs onder invloed van dit boek uit met haar vriend en nam zich voor nooit te trouwen of zich op wat voor manier dan ook te binden aan een man.

Het was een tijdgebonden effect dat Lessing onmogelijk kon hebben beoogd. Uit het oogpunt van een radicale ‘seksestrijd’ was het einde van de roman eigenlijk ontgoochelend. Anna’s onafhankelijke vriendin Molly vertelt dan namelijk doodleuk dat ze gaat trouwen, en de revolutionaire Anna zelf besluit haar schrijverschap op te geven voor een suf baantje en lid te worden van de nog suffere Labourpartij. Ik herinner me dat dit op mij als een capitulatie over kwam. Niet alleen van de beide strijdbare dames, maar ook van de aanstaande man van Molly, een ‘arme joodse jongen uit East End die rijk werd en zijn geweten suste door geld te geven aan de Communistische Partij. Nu geven ze gewoon geld aan progressieve doelen.’

Scheidsmuren

Het leek of zij daarmee het vrije, radicale levensgevoel geweld aandeden. Later las ik in de Nederlandse vertaling, Het Gouden Boek, een voorwoord dat de schrijfster aan haar roman had toegevoegd. Daarin keert ze zich tegen critici die het centrale thema van het boek niet hadden willen zien. Dat thema was: ‘mensen die instorten als een manier om zichzelf te genezen, waarbij het innerlijke ik valse tweedelingen en scheidsmuren afdankt.’ Over identiteit gaat het boek dus, of liever over identiteitscrises. Molly’s huwelijk en Anna’s lidmaatschap van een gematigd progressieve partij, waren in Anna’s woorden pogingen tot ‘integratie in het Britse leven’.

Volgens de schrijfster is The Golden Notebook door recensenten afgedaan als een boek over de strijd tussen de seksen en door vrouwen opgeëist als een wapen in diezelfde strijd. ‘En sindsdien’, schreef ze, ‘bevind ik me in een scheve positie, want het laatste wat ik wilde was wel: weigeren om de vrouwen te steunen.’ Geen klaroenstoot voor de vrouwenbeweging, noemde zij deze roman, maar wel een verhaal over emoties die veel vrouwen bekend voorkwamen en manlijke critici een schok bezorgden.

In haar voorwoord bij The Golden Notebook positioneert Lessing zich als geëngageerd auteur die het recht opeist niet alleen over grote maatschappelijke problemen als racisme en oorlog te schrijven, maar ook over persoonlijke aangelegenheden. Als gewezen marxist, die vond dat ze zich niet druk mocht maken over ‘stomme persoonlijke zaakjes, terwijl Rome in brand stond’, heeft Lessing dat recht op zichzelf moeten bevechten. Ten slotte begreep zij dat ze het onbehagen om over pietluttige problemen te schrijven te boven kon komen door te erkennen dat niets persoonlijk is. ‘Als je over jezelf schrijft, schrijf je over anderen, omdat jouw problemen, pijn, plezier en emoties – en jouw zeldzame, wonderbaarlijke ideeën – niet alleen van jou kunnen zijn.’ Deze les die Lessing leerde door het schrijven van The Golden Notebook heeft ze in de vele romans en verhalen die ze nadien nog publiceerde in praktijk gebracht.

Tijdloos gruwelverhaal

The Golden Notebook is – in het licht van het hele oeuvre – voor Lessings ontwikkeling als schrijfster waarschijnlijk haar belangrijkste en invloedrijkste, maar niet per se haar beste boek. Stilistisch wordt het overtroffen door bijvoorbeeld Winter in July (1964), een bundel verhalen over Afrika waarmee ze zich de woede van apartheidsregimes op de hals haalde. Ik houd misschien nog het meest van The Fifth Child (1988), een tijdloos gruwelverhaal over een monsterlijk kind dat een gelukkig gezin vernietigt en van The Good Terrorist uit 1985, een satirische analyse van radicaal linkse bewegingen als broeikassen van haat.

Het is de veelzijdigheid van Lessings oeuvre, zowel in de genres die ze beoefent, als in de thematiek, waardoor deze onconventionele 87-jarige al een halve eeuw tot de belangrijkste schrijvers ter wereld wordt gerekend. Of The Golden Notebook, voor velen een feministisch handboek, de tand des tijds zal doorstaan weet ik niet. Zelf dacht Lessing in 1971 dat de gedachten van haar personages over marxisme en feminisme tijdloos waren. ‘ Ideeën die dertig, veertig jaar geleden waren beperkt tot uiterst links, waren twintig jaar geleden doorgedrongen tot links in het algemeen en hebben de laatste tien jaar de gemeenplaatsen van het conventionele denken opgeleverd van rechts tot links. Iets dat zo volledig is geabsorbeerd, heeft afgedaan als macht – maar het heeft gedomineerd en in een roman zoals ik die probeerde te schrijven, moest het centraal staan.’

Gek genoeg valt mij bij herlezing de ideologische strekking van The Golden Notebook nauwelijks meer op. Wat nog steeds verbijstert en ontroert zijn de sprankelende taal en de geniale compositie van deze roman over een excentrieke vrouw die wanhopig probeert te integreren in de maatschappij, al dan niet met behoud van een eigen, zwaar bevochten, identiteit.