Blind geloof

Er is heel veel geloof nodig om geblinddoekt aan een geluids-wandeling mee te doen. Zoals eigenlijk elk kunstwerk geloof nodig heeft. Zonder geloof is er geen overgave en gebeurt er niets.

Geblinddoekt lopen ze over de begraafplaats, gelovigen en ongelovigen. Ze worden geleid, ze houden zich vast aan de elleboog van iemand die nog kan zien, en verdwijnen achter de beuken en de monsterlijke Calvarieberg. Als ze weer opduiken en langzaam dichterbij schuifelen, zie ik dat hun gezichten glimmen. Er is hen iets overkomen, ze verkeren in hogere sferen. Even later krijg ik zelf die blinddoek om en vraag me af of ik ook zo’n devote smoel zal trekken, ik die me altijd heb laten voorstaan op mijn ongelovigheid. Kun je gelovig worden zonder het te willen, louter omdat de omstandigheden die kwaliteit als vanzelf bij je opwekken? Een gelovige ongelovige, een bekeerling die niet gelooft?

De man die de processie zal voorgaan, heeft lang haar, een snor en een zacht gezicht, en op zachte toon vertelt hij ook wat er zal gebeuren. We krijgen een speciaal voor de gelegenheid ontwikkelde geluidsblinddoek om en zullen op onze wandeling dichter bij de heilige Oda worden gebracht. Haar geluiden zullen we horen, geluiden die haar wereld uitmaakten tot zij als door een wonder ineens kon zien en overspoeld werd door visuele indrukken. Het zijn geluiden uit het ruige, lege Schotland, waar ze opgroeide. Geluidskunstenares Cilia Erens gaf haar project op het kerkhof van Sint Oedenrode de titel ‘Terug naar Oda, een geluidsrelict (2007-680)’. Maar je zou het ook kunnen opvatten als een geluidsrelikwie. We onderwerpen ons op deze late septemberdag aan een ritueel, we dragen Oda’s geluiden met ons mee zoals in processies met haar botten wordt gezeuld.

Voor het Brabantse

Sint Oedenrode is er alle reden haar gedachtenis tot leven te wekken. Sint Oda gaf het dorp een naam en een identiteit. Oda verbasterde tot Oeden, en Rode werd Sint Oedenrode. Eeuwenlang werd ze er vereerd. Maar die verering is sinds de jaren twintig ingezakt. En dus laat zich de vraag stellen wat Sint Oedenrode zonder Oda eigenlijk nog is. Zoals ook de vraag naar de eigenheid van Nederland steeds vaker wordt gesteld. Er is een jankende behoefte om die eigenheid op te roepen, naar voren te halen. Maar die behoefte bestaat alleen vanwege een gevoeld gebrek aan identiteit. Nederland is een relatief verschijnsel geworden, en dat maakt onzeker. Het dorp is een verhevigde manifestatie van die relativiteit en Sint Oedenrode onderscheidt zich wat dat betreft niet van andere dorpen. Al eeuwen ligt het behaaglijk tegen de Dommel aangevlijd, maar het oude landschap is door wegen en bebouwing verminkt, de A50 snijdt er rakelings lang, en de inwoners zijn allang niet meer allemaal in het dorp geboren, werken voor een groot deel in Den Bosch en Eindhoven, kijken net als de inwoners van Sint Michielsgestel, Schijndel en Waspik televisie, surfen op het web en gaan op vakantie in Thailand of Kenia. Wat is er dan nog over van de eigenheid van Sint Oedenrode? Of mag je zeggen dat die eigenheid zo langzamerhand een farce is, een verwrongen masker dat je opzet als indringers met een hooivork moeten worden weggejaagd?

Sint Oedenrode kan alleen weer Sint Oedenrode worden als het haar beminde heilige rehabiliteert en in haar midden plaatst. Oda’s levensverhaal werd omstreeks 1250 opgetekend door de kanunnik Godefridus van Rode. Haar verering begon meer dan een eeuw eerder en had zoals meestal bij heiligenverering een politieke lading: de heren van Rode gebruikten haar als legitimatie van hun macht.

Volgens de legende werd ze eind zevende eeuw in Schotland geboren, in dezelfde periode waarin Willibrordus Nederland kerstende. Ze was een mooie prinses, maar vanwege blindheid ongeschikt als huwelijkskandidaat. Dus stuurde vader haar naar Luik, waar bij het graf van de heilige Lambertus wonderbaarlijke genezingen plaatsvonden. Ze genas er, maar trouwen wilde ze niet. Ze ontvluchtte haar vader en vestigde zich uiteindelijk in het buurtschap Rode. Daar wijdde ze zich geheel aan god. Na haar dood bezochten velen haar graf om genezing te vinden, ze was vanzelfsprekend vooral bedreven in het genezen van oogkwalen. En toen haar botten in de twaalfde eeuw werden opgegraven, verspreidden ze een aangename, zoete geur. Dat was helemaal zoals het hoorde, ze deed het prima als heilige, al werd ze in de jaren zestig wel door de paus geëxcanoniseerd vanwege al te veel onduidelijkheden in haar verhaal.

De geluiden van Sint Oedenrode

zijn nauwelijks meer te horen, in mijn oren alleen het klateren van een beek. Onzeker en een beetje angstig zet ik mijn eerste passen. Loop ik nergens tegenop? Tuimel ik niet in een gat? Trekt de grond zich niet snel terug nu ik even niet kijk? Ik houd een elleboog vast, de elleboog van Nils. Nils is een medewerker van de Stichting Kunst Openbare Ruimte en maakte zo-even nog een betrouwbare indruk. Maar of het zijn elleboog is, weet ik niet. Ik ken zijn elleboog niet goed genoeg, ze zouden mijn hand ook naar de elleboog van een ander kunnen hebben geleid. Ik moet dus maar geloven dat ik niet bedonderd word. Ik heb geen keus, ik moet me overgeven of die blinddoek afrukken. Ook zal ik moeten geloven dat me niets zal overkomen en dat de wandeling zin heeft, dat het er toe doet dat ik op die plek wandel en niet ergens anders.

Het is nog geen geloof in God, maar er is al wel heel veel geloof nodig om aan de geluidswandeling mee te doen. Zoals eigenlijk elk kunstwerk geloof nodig heeft. Zonder geloof is er geen overgave en gebeurt er niets, blijven schilderijen, beeldhouwwerken en composities dode beelden, dode klanken.

Heiligenverhalen zijn aanstekelijk, ook voor ongelovigen. Heiligen zijn volmaakt. In hen zijn lichaam en geest niet langer gescheiden en komt het leven tot rust. Ze refereren aan onze staat van voor de zondeval, toen het bewustzijn ons nog niet opzadelde met een schrijnend maar evolutionair uiterst productief besef van onvolmaaktheid. Het geloof in heiligen is met ons bewustzijn gegeven. Het is een ventiel om stoom af te blazen, een raam in de benauwde cel van ons dialectische denken. De wonderen van heiligen zijn daarom altijd een omdraaiing van hoe we de werkelijkheid doorgaans beleven en duiden. Hun dode lichaam stinkt niet maar ruikt naar jasmijn, ze genezen wat ongeneeslijk was, ze goochelen met tijd en doen voorspellingen, ze vliegen als het zo uitkomt rond kerktorens en komen pas écht tot leven na hun dood. Onverklaarbaarheid is een voorwaarde; wat verklaard kan worden, behoort tot het banale leven en verliest elke religieuze luister.

Dove heiligen bestaan bij mijn weten niet, de oren moeten wijd open voor het woord gods, de influistering van engelen. Maar Oda was zeker niet de enige heilige die blind was. Blindheid bleek zelfs voor de oude, stervende Oedipus een spirituele kwaliteit; als apotheose van zijn gekwelde leven loste hij op in het licht. En van de christelijke heiligen wordt gezegd dat ze niet met hun ogen zien, maar met hun hart. Ogen zien alleen de buitenkant, het hart de binnenkant, de ziel. Daarom draagt blindheid het ultieme geestelijke in zich, en wie weet ook het wonderbaarlijke.

Geluidskunstenares Cilia Erens

laat me in Oda’s blindheid delen. Wat gelijk opvalt, is dat blindheid vertikaal maakt. Gewaarwordingen heb ik vooral hoog en laag in het lichaam. Mijn voeten tasten de grond af, de oneffenheden, de korreltjes, de plakkerige, natte plekken, en de wind waait door mijn haar en het zonlicht strijkt als een warme hand over mijn nek, over mijn voorhoofd.

Even puur zijn de geluiden waarvan Erens me wil doen geloven dat Oda ze in Schotland hoorde. Een klaterende beek, een ruimtelijk geblaat van schapen, het blaffen van een hond, het knetteren van vuur, de wind die door de bomen waait, het overweldigende breken van golven en scholeksters die van het ene oor naar het andere vliegen, alsof je zelf die uitgestrekte ruimte omvat. Je zit er helemaal in, in de geluiden. Er is niets tussen jou en de geluiden in, je bént de geluiden.

En zo begrijp je hoezeer ogen afleiden en ons bewustzijn activeren, verantwoordelijk zijn voor de afstand die we tot de werkelijkheid ervaren. Onze ogen hebben ons uit het paradijs verdreven; we kunnen ze dus beter sluiten om nog iets te ervaren van wat het was om één met de wereld te zijn.

Gaandeweg vergeet ik dat ik

geleid word en in een processie loop. Ik heb me overgegeven en waan me alleen en onbespied, buiten welke sociale context dan ook. Ik ben van de ander verlost, van zijn blik, ik hoef mezelf niet meer te beschouwen en zal nu ook wel met zo’n idiote grijns op mijn gezicht rondlopen. Dat is wat deze blinde processie brengt: iets elementairs en kinderlijks dat vrijkomt als ons bewustzijn ons minder in de weg zit en onze sociale conditionering wordt opgeschort. Geen wonder dat een heilige goed met blindheid uit de voeten kan.

Dan word ik naar een stoel geleid. Als ik voorzichtig ga zitten, als een stokoude man, hoor ik het aanzwellen en weer wegsterven van een brommer, vaag gedruis waarin even een stem opklinkt, een auto die voorbij rijdt, de kerkklok die vier slagen lang alle geluiden doet verstommen. Het is de troebele geluidsoep van het hedendaagse Sint Oedenrode, en ik weet niet helemaal zeker of ik naar de straat ben geleid of dat die geluiden via de geluidsblinddoek in mijn oren komen.

De blinddoek gaat af en ik zit tegenover de ranke kapel die bovenop het heuveltje prijkt waar Oda haar hutje zou hebben gehad. Veel geluiden zijn er niet. Een meesje, bladgeritsel. De stilte van zerken. Het is zondag en het hele dorp viert zijn gemeenschapszin op een culturele manifestatie rondom slot Henkenshage. Maar wat overdondert, is wat ik zie: bladeren die schetteren tegen een grijze lucht, hardrode baksteen, scherpe lijnen, het fysiek van de andere processiegangers en het beeld van Oda van ondoordringbaar steen.

Het is als een overmeestering, het slaat alles wat er te horen is weg. Ik kan me ineens voorstellen dat Oda teleurgesteld was toen ze kon zien. Ze begreep dat ze er niets mee was opgeschoten. Het wonder bleek een dwaalspoor en had maar één boodschap: haar blindheid postuum op te vatten als een goddelijk geschenk. Ze zonderde zich af en wijdde zich aan God, wat een andere manier is om je blind voor de gemeenschap te houden. Het maakte haar alleen maar belangrijker voor die gemeenschap, na dertien eeuwen weet ze de Rooienaren te binden en bezig te houden.

Als ik het kerkhof verlaat, wil ik nog naar haar botten kijken. Nou ja, haar botten: uit onderzoek is gebleken dat ze uit de derde eeuw komen en dus nooit haar botten kunnen zijn. Ze liggen in de Sint Martinuskerk, maar verder dan het portaal kom ik niet, de kerk is gesloten. Ik ben teleurgesteld. Het is alsof ik de essentie van Sint Oedenrode heb gemist. Vreemd dat ik zoveel waarde toeken aan een hoopje botten, ridicule overblijfselen van het menselijk lichaam en niet eens van háár lichaam. Voor mij zijn het kennelijk niet zomaar botten meer. Ze hebben een bijzondere glans gekregen, aantrekkingskracht. Alleen omdat ik me in Oda heb verdiept en het geluidsritueel heb ondergaan.

Uiteindelijk hoef je helemaal niet te geloven om te geloven. Voor je het weet, zit je er tot over je oren in.