Andy zou het zo gewild hebben

De tentoonstelling ‘Other Voices, Other Rooms’ ziet er uit alsof er ieder moment een ongelofelijk hip feest kan losbarsten waarvan mensen later zullen zeggen dat je er geweest had moeten zijn. Warholiaanser kan het niet.

Het Stedelijk Museum heeft de rode loper uitgelegd. Wie voet zet op de loper, knippert met de ogen vanwege een wirwar van flitslicht. Die flitslichtjes zijn van denkbeeldige paperazzi, die de bezoeker begeleiden naar de entree. Iedereen wordt zo in staat gesteld om als een echte superstar de wereld van de spektakeltentoonstelling Other Voices, Other Rooms binnen te gaan.

Wandelend over die rode loper en, zoals dat dan heet, ‘badend in het flitslicht’ voel je je bijna verplicht om stil te staan bij Warhols uitspraak „in the future everbody will be famous for fifteen minutes”. Die uitspraak is inmiddels zo vaak aangehaald dat er een sfeer van clichématige herhaling om is komen te hangen – en dat zou Warhol, de meester van de herhaling, deugd hebben gedaan.

Je zou bijna vergeten dat Andy Warhol veel meer van dit soort uitspraken heeft gedaan. Relatief veel van zijn invallen en indrukken waren stukken minder profetisch dan zijn uitspraak over de roem-van-een-kwartier. Wat te denken van: „Frigide mensen gaan het helemaal maken.” Ooit iets van gemerkt?

Ook als het om zijn eigen werk ging, had Warhol geen vooruitziende blik. In 1967 beweerde hij stellig: „Mijn werk heeft geen enkele toekomst. Dat weet ik.”

Warhol etaleerde met die laatste uitspraak zijn bijna programmatische onverschilligheid. Alles was altijd „really pretty” of „faboulous”, en tegelijk kon niets hem naar eigen zeggen iets schelen, dus ook het belang of de toekomstmogelijkheden van zijn werk niet. Voor Warhol waren een sloom soort enthousiasme en een even slome onverschilligheid geheel inwisselbaar.

In 1967 was hij nog pessimistisch over zijn werk, en veertig jaar later blijken zelfs Warhols kleinste kleinigheden en hebbedingetjes van museale allure. Het oeuvre is zo groot dat na zijn dood relatief veel overzichtstentoonstellingen zijn georganiseerd, en iedere keer zag je er weer andere dingen, andere films, andere documenten, andere zijdedrukken. In 1989, twee jaar na zijn dood, bracht het Museum of Modern Art in New York een reusachtige toonstelling, met de nadruk op Warhols bekendste werk. De iconografisch geworden Marilyns, de Mickey Mouse-reeksen, Campbell soepblikken en de ‘Flowers’-reeks vormden het hart van die tentoonstelling.

In 1993 volgde een retrospectief

in de Tate in Londen met de simpele titel Warhol. Dat was een compact Greatest Hits-retrospectief. Verrassender en spannender was de door het Guggenheim Museum samengestelde tentoonstelling Andy Warhol: A Factory, in Europa onder andere in 1999 te zien in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.

Die titel verwees natuurlijk naar de grote studio die Warhol in 1963 betrok en ‘The Factory’ noemde. Deze ‘kunstfabriek’ ontwikkelde zich tot een verzamelplek voor drop-outs, hipsters, jonge niksnutten uit de haute bourgeoisie en niet te vergeten voor losse figuren die uit bewondering voor Andy kwamen aanwaaien. Iedereen die er rondhing werd door Warhol stelselmatig gepromoveerd tot ‘superstar’.

In The Factory was Andy Warhol veel meer dan uitsluitend de bedenker van zeefdrukken: hij was er actief als entrepreneur, fotograaf, filmer, producer, ontwerper, portrettist van de rijken en beroemden, tijdschriftenmaker en niet te vergeten maniakaal verzamelaar van alledaagse prullaria. Onderscheid tussen al die werkzaamheden maakte hij niet. De ene activiteit was niet van meer gewicht dan de andere.

Other Voices, Other Rooms gaat verder op de weg die met de tentoonstelling Andy Warhol. A Factory is ingeslagen: het tonen van Warhol als multimediakunstenaar. Other Voices, Other Rooms is wat je noemt een totaalervaring. Er is een heus Warholiaans universum gecreëerd. En het CS Postgebouw is daartoe geweldig geschikt, want door de relatieve lage plafonds en de fabriekssfeer lijkt het alsof er zoveel jaar na dato een Amsterdams filiaal van de Factory is geopend. Other Voices, Other Rooms ziet er uit alsof er ieder moment een ongelofelijk hip feest kan losbarsten waarvan mensen later zullen zeggen dat je er geweest had moeten zijn. Warholiaanser dan dat kan het niet, lijkt me.

Er is een Filmscape-zaal, een lounge-achtige ruimte waar tientallen speelfilms van Warhol simultaan worden vertoond. In de naastgelegen Cosmic-zaal worden allerlei Warhol-producten door elkaar vertoond: honderden foto’s, covers van tijdschriften, tv-shows, curieuze installaties, behangsels, de Brillo-boxen, geluidsfragmenten, verloren gewaande tapes en allerlei andere Warholeske producten. Ook is de inhoud van één van de 610 zogeheten Time Capsules te zien: kartonnen dozen waarin Warhol at random van allerlei prullaria in wegstopte en bewaarde en die pas decennia later mochten worden geopend. Overbekende werken als een zijdedruk van de Campbell-soepblikken en een portrettenreeks van Mick Jagger hangen niet op een prominente plek, maar gewoon, op een half verscholen plaats. Dat is een statement: géén voorrang voor de evergreens, maar alles gelijkelijk geëxposeerd. Je zou bijna zeggen: Andy zou het zo gewild hebben.

Other Voices, Other Rooms is vernoemd naar de debuutroman uit 1947 van Truman Capote. Capote beschrijft er een dertienjarige jongen in, die na de dood van zijn moeder schuchter zijn homseksualiteit ontdekt en erkent. Andy Warhol was onder de indruk van de schrijver – dat wil zeggen, van diens beeltenis op de befaamd geworden foto waarop Capote veeleer poseert als een fatale filmster dan als een schrijver poseert. Toen Warhol, vers uit Pittsburgh in New York aangekomen en werkzaam als reclametekenaar, die foto zag, was hij in één keer verkocht. Warhol gedroeg zich als een stalkende fan; hij postte bij Capote’s huisadres, stuurde hem brieven en bezocht uitgaansgelegenheden waar Capote was gesignaleerd. Warhol als de aanbidder van helden uit de (massa-)media, met Capote als eerste held die ook echt benaderbaar bleek – want jaren na die confrontatie met de beroemde foto, raakten de twee bevriend en bezochten zij, in de jaren zeventig, de beruchte New Yorkse club Studio 54.

Het is jammer dat in de tentoonstelling niet wordt verwezen naar Warhols verzuchting die hij, decennia na zijn eerste confrontatie met de foto van Capote, slaakte: „Oh, sex is so nothiung. The last time Truman put his cock in my mouth, I felt nothing.” Van aanbidding voor een ongenaakbaar idool tot de ultieme geblaseerdheid over seks en intimiteit: ziehier het traject dat Warhol in leven en kunst aflegde.

Oog in oog met de films, foto’s, schilderijen, behangsels, tijdschriftomslagen en tv-fragmenten uit zijn shows, flitst, glittert, duizelt en dwarrelt alles rondom het beslissende Warhol-woord: Niets. Hoe avontuurlijk en spectaculair Other Voices, Other Rooms ook is, de toeschouwer komt altijd weer uit bij dat grote Niets dat al die verschillende activiteiten van Warhol met elkaar verbindt.

Zelf was hij de eerste om te benadrukken

dat in of achter zijn werk letterlijk ‘niets’ schuilgaat: „Als je alles over Andy Warhol wilt weten”, zei hij eens, „kijk dan gewoon naar de buitenkant van mijn schilderijen en films en naar mij, dat ben ik. Daarachter is niets.” Natuurlijk wist Warhol maar al te goed dat hij met zijn omhelzing van buitenkant en oppervlakte de toeschouwer provoceerde. Maar tegelijkertijd was hij in het uitventen van zichzelf als een levend vacuüm vermoedelijk heel eerlijk en authentiek.

Warhol had het idee dat hij vergeefs reikte naar het échte leven. Anderen hadden misschien een kloppend hart, hijzelf voelde het niet. In 1968 was er een randfiguur uit de kring van discipelen in de Factory, Valerie Solanas, die hem onverwacht neerschoot. Nadien zei hij erover: „Voordat ik werd neergeschoten, had ik altijd het gevoel dat ik niet echt leefde, maar in plaats daarvan naar de televisie keek. Sinds ik ben neergeschoten, is alles net een droom voor me. Ik weet niet of ik echt leef of niet.”

Warhols programmatische omhelzing van het Niets heeft wel degelijk zijn wortels in de kunst. Zo is er iets voor te zeggen dat Warhol de erfenis van Dada letterlijk te gelde heeft gemaakt. „Dada stinkt naar niets, het is niets, niets, niets”, schreef Francis Picabia in zijn Dadaïstisch kannibalenmanifest uit 1920. Bijna vijftig jaar later schreef Gerhard Richter, niet toevallig een bewonderaar van Warhol en een bescheiden collectioneur van diens werk: „Geen ideologie, geen religie, geen geloof, geen creativiteit, geen hoop.” Een bekend geworden uitspraak van Richter is: „Ik wil geen persoonlijkheid hebben of zijn.” Tussen die twee door Picabia en Richter opgerichte zuilen van zelfontkenning, bevindt zich het hologram dat naar de naam Warhol luistert.

Doordat Andy Warhol zich schaamteloos afficheerde als hologram, is het mogelijk om allerlei interpretaties op zijn werk af te vuren. Andy als nihilist – prima. Andy als mensenschuwe robot – ook goed. Andy als allerlaatste romanticus – ach, waarom niet. De vacuümkunst van Warhol zuigt al die mogelijke betekenissen in zich op.

Warhols assistenten en discipelen van de Factory noemden hem ‘Drella’, samentrekking van Dracula en Cinderella, Dracula vanwege het feit dat Warhol het bloed van mensen opzoog ten behoeve van zijn werk, en Cinderella (bij ons: Assepoester) omdat hij zo blij als een kind kon zijn met mooie schoenen, die hij kon koesteren alsof het glazen muiltjes waren. Andere namen die vielen als men op zoek was naar gelijkenissen: Dagobert Duck. De Cheshire Kat uit Alice in Wonderland. Eduard Manet. Mephisto. De antichrist. Adolf Hitler.

Hitler? Toen ik er jaren geleden op stuitte, vond ik die vergelijking voor Warhol toch echt onterecht, onbehoorlijk. Tot ik in 2001 de roman Siegfried van Harry Mulisch las. In Siegfried blijkt Hitler een zoontje te hebben gehad. Mulisch laat zijn hoofdfiguur, de schrijver Rudolf Herter, veel nadenken over het raadsel van de Führer. Tegen het einde van de roman laat Mulisch zijn alter ego Herter concluderen: „Na de dood van God stond het Niets voor de deur, en Hitler was zijn eniggeboren zoon. In zekere zin heeft hij nooit bestaan (...). De absolute, logische Antichrist”. Vervang Hitler door Warhol, en Mulisch geeft hier een treffende typering van diens leven en werk. Warhol zou vermoedelijk hebben gegrinnikt om die vergelijking. Aan morele verontwaardiging deed hij zo min mogelijk. De media hadden altijd gelijk. Alles wat er over hem werd geschreven was altijd waar. Hij reageerde altijd met dat ene woord op kritiek in de pers: faboulous. Samen met het woord ‘niets’ spookt ook dát woord door de zalen van het Stedelijk: Fa-bou-lous!

Tentoonstelling: ‘Andy Warhol – Other Voices, Other Rooms’. Stedelijk Museum, t/m 13 jan. 2008. Info: www.stedelijk.nl.