Alle prinsdommen aan boord

Een land met 22 officiële talen, met miljoenen sikhs, christenen, boeddhisten, moslims en jains onder de armoedegrens. Hoe werd India een eenheid, hoe ontstond het religieus extremisme en wat te doen daartegen?

Ramachandra Guha: India after Gandhi.The History of the world’s largest democracy. Macmillan, 900 blz. € 43,–

Martha C. Nussbaum: The Clash Within. Democracy, Religious Violence, and India’s Future. The Belknap Press of Harvard University Press, 403 blz. € 31,–

India heeft nooit uniformiteit of homogeniteit gewild, zei Sonia Gandhi deze zomer in haar Nexus-lezing in Tilburg. „Het Indiase experiment is een glorieus voorbeeld dat eenheid ook kan ontstaan uit pluralisme en multiculturalisme.” Gandhi is leider van de regerende Congrespartij, aangetrouwde kleindochter van India’s eerste premier Jawaharlal Nehru en een van de machtigste vrouwen ter wereld. Na afloop van die lezing zei ze echter ook dat het behoud van de ruimte voor dat pluralisme ‘de grootste uitdaging’ voor India is.

Waarom is India één land? Wat bindt ruim één miljard inwoners die zoveel aanleiding hebben om verdeeld te zijn? Voor een groot deel van de bevolking is het nog altijd niet mogelijk om zich te ontworstelen aan de maatschappelijke positie die de kaste bepaalt. Het Hindi is slechts één van de 22 officiële talen, en wordt door honderden miljoenen niet gesproken. Hoewel het merendeel van de Indiërs hindoe is, telt het land 150 miljoen moslims, bijna evenveel als de Pakistaanse bevolking in zijn geheel. Verder zijn er miljoenen sikhs, christenen, boeddhisten en jains. Tel daarbij op de ongelijkheid in welvaart (de credit card business groeit met 35 procent per jaar terwijl 300 miljoen inwoners onder de armoedegrens leven) en de ongelijke status van vrouwen (jaarlijks worden 500.000 meisjes geaborteerd), en de vraag kan gesteld worden waarom India in zestig jaar onafhankelijkheid niet is ‘teruggetuimeld naar de barbaarsheid van de Middeleeuwen’, zoals Winston Churchill begin jaren dertig voorspelde.

In India After Gandhi. The History of the World’s Largest Democracy probeert de Indiase historicus Ramachandra Guha (1958) daarop een antwoord te vinden. Hij besteedt vooral veel ruimte aan founding fathers Jawaharlal Nehru (de eerste premier), Vallabhbhai Patel (de eerste minister van Binnenlandse Zaken) en B.R. Ambedkar (de onaanraakbare die de eerste minister van Justitie werd). ‘Het ligt in de aard van democratieën dat er soms visionairs nodig zijn om ze te vormen, maar als ze er eenmaal zijn, volstaan middelmatige leiders’, legt hij uit. ‘Weinig naties hebben leiders van een dergelijke intelligentie en integriteit gekend, die allen tegelijk leefden.’

Slachting

Minutieus én vlot vertelt Guha hoe de onafhankelijkheid van 1947 werd voorbereid en vormgegeven. Hoe Mahatma Gandhi in de voorafgaande decennia door het land reisde om te voorkomen dat India na het vertrek van de Britten uiteen zou vallen, en hoe Mohammad Ali Jinnah vocht voor de onafhankelijke moslimstaat Pakistan. Met verdeel- en heerstactieken lukte het Patel en zijn rechterhand V.P. Menon om bijna alle 500 prinsdommen aan boord te krijgen. Ambedkar werd voorzitter van de commissie die uiteindelijk een grondwet van 395 artikelen produceerde, die voorzag in een seculiere staat waarin alle kastes en religies gelijk werden gesteld en waarin vrouwen meer rechten kregen.

Nehru, door Guha overtuigend omschreven als een welhaast onvermoeibare staatsman met een ragfijn politiek gevoel, zag het als een van zijn belangrijkste en moeilijkste taken om de moslims die na de splitsing in India waren achtergebleven het gevoel te geven dat zij gelijkwaardig waren aan de hindoe-meerderheid. „Een seculiere staat in een religieus land”, zei hij over India. Het grote onderscheid met Gandhi, die de religies een plaats wilde geven in de politiek, was dat Nehru eigenlijk vond dat religie er niet toe deed.

Dat was Nehru’s grootste fout, vindt de Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum. In The Clash within. Democracy, Religious Violence and India’s Future zegt zij dat Nehru, ondanks zijn bijdrage aan een pluralistische democratie die in de basis functioneert – ‘een onthutsende prestatie’ – veel te weinig aandacht heeft besteed aan ‘wat mensen in hun hart voelen’. Zo liet hij ruimte liggen voor nationalistische hindoes ‘met fascistische ideologieën’.

Nussbaum kent India goed door haar werk over vrouwenrechten en sociale ongelijkheid, en door haar vriendschap met Nobelprijswinnaar Amartya Sen. Met alle aandacht voor religieus extremisme en terrorisme door moslims in het Midden-Oosten wordt vergeten dat ook in India de democratie onder vuur ligt van religieuze extremisten, vindt ze. Aanleiding voor haar onderzoek naar de opkomst van hindoe- rechts was de slachting van ruim 2.000 moslims door hindoes in Gujarat, in 2002, die tot de Amerikaanse media nauwelijks doordrong.

Op 27 februari van dat jaar stierven op het station van Godhra 58 hindoeïstische pelgrims toen de trein waarmee zij terugkwamen uit Ayodhya in brand vloog. De oorzaak is nooit achterhaald, maar moslims die zich op de perrons ophielden werden al snel verdacht. Gruwelijke wraakacties volgden, waarbij willekeurige moslims werden opgejaagd, families in hun huizen levend werden verbrand, en vrouwen eerst werden verkracht en gemarteld voordat zij in brand werden gestoken. Genocide, vindt Nussbaum, met medeweten en goedkeuring van lokale hindoe-politici.

Nussbaum begint haar onderzoek met een zo nauwkeurig mogelijke reconstructie van wat er in de trein gebeurd is en concludeert dat het haast wel om een ongeluk moet gaan. Daarna schetst ze hoe fundamentalistische hindoes, verenigd in de landelijke organisatie Rashtriya Swayamsevak Sangh (RSS), vanaf het meest lokale niveau ‘een cultuur van uitsluiting en haat’ hebben weten te scheppen. India moet van hen een hindoeïstische staat worden, waar geen ruimte is voor moslims. Ze laat zien hoe kleine jongetjes met spel naar de jeugdclubs van de RSS gelokt worden, en hoe ze, eenmaal geïndoctrineerd, zweren om ‘de puurheid van de hindoecultuur altijd te beschermen’.

De vraag hoe dit extremisme is ontstaan, benadert Nussbaum deels historisch, deels filosofisch en deels psychologisch. Waarom had het geweld tegen vrouwen in Gujarat zulke sadistische trekken, en moest het gepaard gaan met verschrikkelijke genitale verminkingen?

Blinde vlek

Nussbaum, specialist op het gebied van emoties, maakte een psychoanalyse van de hindoenationalistische man met genoeg haat in zich voor ‘Gujarat’: hij wordt gedreven door een mengeling van schaamte en walging. Hij voelt zich ontmand en geïntimideerd door moslims, zoals voorheen door de Britten. Walging is een instrument dat helpt ons af te schermen van zaken die ons te veel met onze eigen sterfelijkheid confronteren, aldus Nussbaum. Door die walging te richten op een bepaalde groep, kan men zich superieur voelen en gerechtigd om die groep te onderwerpen. Hoewel de psychologisering van een hele bevolkingsgroep iets moeizaams houdt, klinkt haar verhaal als een aannemelijke verklaring voor wat hindoe-extremisten met moslimvrouwen in Gujarat hebben gedaan.

De echte strijd voor democratie, zegt Nussbaum, is niet die tussen mensen, maar die in de mens zelf, een universele keuze tussen de drang tot dominantie en de bereidheid om, zoals Gandhi bepleitte, anderen te respecteren, met eigen kwetsbaarheid als gevolg.

Nehru, vindt ze nogal stellig, heeft met zijn haast anti-religieuze nadruk op de stichting van een seculiere staat, zijn passie voor wetenschappelijke en technologische vooruitgang, en ‘zijn blinde vlek voor de psychologie van ‘de massa’ onbedoeld een klimaat geschapen waarin intolerantie een weg kon vinden.

Guha is veel lovender over Nehru. Hij schetst een man die alles heeft gedaan wat in zijn vermogen lag om te voorkomen dat ideologieën over een dominante hindoecultuur post zouden vatten. En Guha vindt dat Nehru daarin behoorlijk geslaagd is. Het is niet ondanks, maar dankzij, de pluriformiteit dat India standhoudt, schrijft hij. ‘Er zullen hindoe-nationalisten zijn zolang Pakistan bestaat’, zegt hij in zijn conclusies. ‘In tijden van stabiliteit, of van sterk leiderschap, zullen zij marginaal of in het defensief zijn. In tijden van verandering, of als het leiderschap onzeker is, zullen zij invloedrijk en assertief zijn’.

Nussbaum neemt tamelijk grote stappen om terug te redeneren van Gujarat naar Nehru. Anderzijds gaat Guha wat makkelijk voorbij aan de achtergestelde positie waarin moslims in het hedendaagse India toch vaak terechtkomen, bijvoorbeeld in de rechtspraak, armoedebestrijding en overheidsfuncties.

Guha’s 900 pagina’s vormen een indrukwekkend gedetailleerd naslagwerk. Een aantal recente gebeurtenissen had echter meer aandacht verdiend. Behalve Gujarat, dat slechts enkele pagina’s krijgt, is dat bijvoorbeeld de verspreiding van het maoïsme, door de huidige premier Singh ‘de grootste interne bedreiging’ genoemd. En hoewel voor Kashmir, het afvoerputje van de problemen die uit de splitsing zijn ontstaan, nog altijd dezelfde opties gelden als in 1947, worden jihadi’s uit de betwiste deelstaat verantwoordelijk gehouden voor de ongebruikelijk grote bomaanslagen in de afgelopen twee jaar. „Alles wat daar gebeurt heeft grotere en bredere gevolgen”, zei Nehru in over Kashmir. Aan deze onderwerpen mag Guha gerust een tweede deel wijden.

Rectificatie / Gerectificeerd

Gujarat

In Alle prinsdommen aan boord (Boeken, 12.10.2007) over India stond bij de foto van de treinramp in Gujarat , 2002, dat het om een aanslag van moslim-extremisten zou gaan. Dat is niet vastgesteld. Waarschijnlijk was het een ongeluk.