AIVD werpt zijn netten te ver uit

De AIVD keert zich tegen overdreven beeldvorming over moslimradicalisme. Maar de inlichtingen- en veiligheidsdienst doet daar zelf aan mee, vindt Bob de Graaff.

Blijkens zijn rapport ‘Radicale dawa in verandering, de opkomst van islamitisch neoradicalisme in Nederland’ heeft de AIVD iets nieuws ontdekt: neoradicale salafisten. (NRC Handelsblad, 9 oktober)

De dienst stelt vast dat er een scheiding optreedt tussen de jihad en radicaal salafisme; dat er steeds minder sprake is van buitenlandse beïnvloeding van salafisten; dat het utopisch, apocalyptisch wereldbeeld van de salafisten plaatsmaakt voor pragmatisme; en dat er meer debat is tussen moslims onderling. Neoradicale salafisten bestrijden bovendien met succes schooluitval en criminaliteit onder allochtone jongeren.

Dat is toch prachtig, zou je denken. Maar nee, want de neoradicale salafisten zijn volgens de AIVD bezig zich te isoleren van de samenleving. U heeft het misschien nog niet gemerkt, maar dat komt omdat ze het sluipenderwijs en heimelijk doen. En daar is de eerste inconsistentie in het rapport, want deze heimelijke verandering uit zich in lange baarden, broeken op hoog water en gebedsmutsjes.

Voordat de lezer bang kan worden, neemt de AIVD een deel van de spanning alweer weg: de neoradicalen vormen naar schatting minder dan een half procent van de religieus georiënteerde moslims. Er is bij hen bovendien geen sprake van geweldsdreiging of van een acute aantasting van de democratische orde; integendeel, zij keren zich tegen sektarisme, ‘zelfontbranding’ en ressentiment.

In het isolement kunnen zij volgens de AIVD met hun ultraorthodoxe en reactionaire ideeën en praktijken echter de democratische rechtsstaat en de open samenleving bedreigen. Op kleine schaal dwingen zij vrouwen, homoseksuelen, liberaal georiënteerde personen of vermeend ongelovigen zich te conformeren aan hun gedachtengoed.

Hoe bedreigend is deze kleine Staphorster variant van de islam, waaraan de AIVD maar liefst bijna honderd pagina’s publieke waarschuwing wijdt? De AIVD toont zich ambivalent over de weerbaarheid van de moslimgemeenschap. Het rapport stelt dat de meerderheid van de West-Europese moslims deel wil uitmaken van een pluriforme democratie en geen affiniteit voelt met het radicale salafisme. Of de radicaal-salafistische preken effect sorteren, is de AIVD onduidelijk. Op het internet zitten gematigde tegengeluiden de radicale moslims in de weg. Rivaliteit tussen de neoradicalen onderling tast bovendien hun ‘slagkracht’ aan. Maar tegelijk stelt het rapport dat gematigde moslims het vaak moeilijk vinden de neoradicale boodschap te pareren.

Voor de Nederlandse gemeenschap als geheel vreest de AIVD dat de neoradicale salafisten bijdragen aan polarisatie en ondermijning van de multiculturele samenleving. Nu is polarisatie, net als de tango, iets wat twee partijen vergt. Waarom slechts een van de polen behandelen?

Veiligheid omvat volgens het rapport voor de Nederlandse overheid ook politieke en sociale stabiliteit. Zo gesteld klinkt dit bijna bedreigend: spelen zich hierdoor niet nog veel meer groepen in de AIVD-kijker, groepen die evenals de neoradicalen ‘de tactiek van provocatie, gericht polariseren en het creëren van een vijandbeeld’ hanteren?

De AIVD lijdt bovendien aan geheugenverlies als het gaat om dit soort ‘bedreigingen’ van de nationale veiligheid. De dienst stelt dat neoradicalen andere moslims overtuigen en intimideren. Nu is er een dunne grens tussen overtuigen en intimideren. Hoe overtuigend of hoe intimiderend was het toen de pastoor minder dan vijftig jaar geleden tijdens huisbezoek op uitbreiding van het kindertal aandrong? En bestonden er toen ook geen katholieke mandementen die – precies als de neoradicale salafisten nu – opriepen het contact met andersdenkenden te vermijden? Was dat toen een reden voor de BVD om te waarschuwen tegen bisschoppen en hun kudde? En was het ook eng, toen kerkgenootschappen ‘een nauwgezet systeem van kennisoverdracht’ opzetten dat bestond uit lezingen en conferenties met als thema’s ‘voorbereiding op de dood’ en ‘standvastigheid in tijden van verleiding’?

De overheid kan oprecht betreuren dat de sociale cohesie en burgerschap niet sterker worden beleden en zij mag er best meer aan doen om die elementen te verstevigen, maar zij moet dat niet proberen te veranderen door de rol aan te nemen van gedachtenpolitie.

De AIVD keert zich obligaat tegen overdreven beeldvorming over het moslimradicalisme. Maar dat is precies wat dit rapport doet. Zo wordt gesuggereerd dat de neoradicalen weleens de sharia kunnen invoeren in hun enclaves, die „als bruggenhoofd dienen voor het vergroten van hun macht”.

Voortdurend plaatst het rapport vraagtekens bij de oprechtheid van de neoradicalen, wier geloofsdoctrine hun toestaat uit zelfverdediging backstage iets anders te doen dan frontstage. Dat gegeven wordt in het rapport uitgebouwd tot een vijandbeeld: elke positieve handeling wordt verdacht gemaakt, of het nu gaat om deelname in een politieke partij of om het bouwen van een islamitisch maatschappelijk middenveld. Alles wordt in verband gebracht met „een heimelijke dubbele agenda”; motieven worden slechts „ogenschijnlijk integer verwoord” en de neoradicale boodschap schept „sluipenderwijs” en „heimelijk” een platform voor geweld.

Volgens de dienst past de aandacht voor het neoradicale salafisme in de „brede benadering van het radicaliseringsvraagstuk”. Maar waarom zou de overheid zich met radicalisme moeten bezighouden als dit niet tot geweld leidt? Op deze manier werpt de AIVD zijn netten veel te ver over de samenleving uit en draagt hij onbedoeld bij aan een stereotypering die tot polarisatie leidt.

Bob de Graaff is hoogleraar terrorisme en contraterrorisme aan de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden.