Afscheid nemen van de strijd is lastig

Ruim 45.000 gewapende strijders hebben de afgelopen jaren de wapens neergelegd in Colombia. Het land wil goede burgers van ze maken maar sommigen beginnen al opnieuw te vechten.

Een lange zwarte staart, montere ogen en potloodslank. Pas negentien jaar oud is Adriana en toch heeft ze er al een lang leven opzitten als guerrillero van de FARC in Colombia. Dat komt door die neef. Met zijn communistische boeken. „Na lezing wilde ik me inzetten voor de gewapende, sociale strijd”, zegt Adriana.

En dus reisde ze, twaalf jaar oud, zonder iemand te verwittigen van Bogotá naar het schaars bevolkte Putumayo, in het zuiden van het land. Ze zocht net zo lang tot ze een eenheid van de Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia vond en meldde zich bij de commandant. „Ik was zo klein dat hij zei dat ik eerst maar een tijdje naar school moest. Maar omdat ik vastbesloten was, mocht ik blijven”, vertelt Adriana, nog steeds trots.

Een jaar later had ze verkering met de 31-jarige commandant. Haar voornaamste revolutionaire taken: het verwerken van cocabladeren tot pasta en het presenteren van programma’s bij de eigen radiozender Buzón Clandestino (Illegale Brievenbus).

Nu zit Adriana schichtig in de lobby van een hotel in de hoofdstad. Vier maanden geleden vluchtte ze, gefrustreerd over de drugshandel en het geweld. „Ik stond ’s nachts op wacht met een makker en vrij impulsief besloten we een rivier over te zwemmen.” Na een verblijf in Ecuador kwam ze na zeven jaar weer in Bogotá terecht.

De afgelopen jaren hebben in Colombia – waar al ruim 40 jaar een bloedige burgeroorlog woedt – 31.671 rechtse paramilitairen de wapens neergelegd na een deal met de regering. Ruim 14.000 linkse guerrillero’s deden, op individuele basis, hetzelfde. „Wij doen ons best om met hulp van psychologen, arbeidsbemiddelaars en maatschappelijk werkers goede, ethische burgers van ze te maken”, zegt Frank Pearl, de speciale Colombiaanse regeringsraadgever voor de reïntegratie van gedemobiliseerde strijders.

De voormalige ondernemer Pearl, houdt kantoor in het fraaie residentiepaleis van president Álvaro Uribe. „Een plek vinden voor zo veel ex-rebellen is een taak die nog nergens ter wereld is vertoond. Dit gaat nog decennia duren”, zegt Pearl.

De ex-strijders krijgen een uitkering als ze een cursus volgen en verplicht naar de psycholoog gaan. Pearl probeert met hulp van het bedrijfsleven en met geld van buitenlandse donoren (Nederland is de grootste Europese geldschieter met ruim 3 miljoen euro) werk voor ze te vinden. Gemakkelijk is het niet om emplooi te creëren voor de jonge Colombianen die niet veel meer kunnen dan een geweer vasthouden. „Meer dan de helft is analfabeet”, zegt Pearl.

Dat de reïntegratie soms pijnlijk faalt, wordt steeds duidelijker. Veertien maanden nadat de laatste paramilitairen de wapens hebben neergelegd, duiken overal in het land nieuwe bendes op. Ze hebben namen als ‘Zwarte Adelaars’ of ‘Nieuwe Generatie’ maar ze maken zich schuldig aan dezelfde, oude terreur als de ontmantelde groepen.

„Het is een zeer zorgelijke ontwikkeling”, zegt Markus Schultze-Kraft. Hij is in Bogotá hoofd van de International Crisis Group voor Latijns-Amerika en onderzocht de herbewapening van de bendes. Het aantal leden van deze groepen wordt geschat op 3.000 à 9.000. „Niemand weet precies hoeveel strijders het zijn. Ze hebben ook niet, zoals voorheen, een zichtbaar leiderschap.”

En waar de para’s en linkse rebellen vroeger een politiek motief veinsden – de ideologische strijd tegen elkaar – proberen de nieuwe bendes niet eens meer te verhullen dat het ze alleen om de drugssmokkel gaat. „Ze delen pamfletten uit waarin ze gebied opeisen. En omdat de bevolking getraumatiseerd is, is ze gemakkelijk geïntimideerd.”

De nieuwe groepen zijn de afgelopen maanden snel in omvang toegenomen, omdat volgens onderzoeker Schultze „de regering-Uribe maar één vijand erkent en dat is de FARC. Alle energie is gericht op het aanpakken van de linkse guerrillero’s.”

De slachtoffers van de terreur krijgen volgens de onderzoeker heel wat minder aandacht. Er zijn op dit moment in het 44 miljoen inwoners tellende Colombia drie miljoen burgers op de vlucht voor het geweld in eigen land. Ieder jaar neemt dat aantal met 200.000 zogeheten desplazados toe. De Colombianen trekken veelal van het platteland naar de stad waar ze in krottenwijken een nieuw bestaan moeten opbouwen.

Onderdeel van het vredesproces is dat de slachtoffers van het geweld een vergoeding krijgen van het aangedane leed door de paramilitairen. Ongeveer drieduizend van hen worden vervolgd en met de berechting van vijftig leiders – die vastzitten in de gevangenis van Itagüí – is een begin gemaakt. „Maar omdat er nog niemand is veroordeeld, is ook nog niet vastgesteld wat de daders als herstelgeld moeten betalen”, aldus Schultze.

En het is nog maar de vraag of justitie in staat zal zijn de veroordeelde para’s tot betaling te dwingen. Uit onderzoek van een speciale politie-eenheid is bijvoorbeeld gebleken dat de voortvluchtige para-leider Vicente Castaño een vermogen heeft van ruim 50 miljoen dollar. De tientallen huizen, bedrijven en voertuigen van Castaño staan vrijwel allemaal op naam van arme streekgenoten, dienstmeisjes of chauffeurs. Zij worden nu vervolgd voor illegale zelfverrijking.

Volgens raadgever Frank Pearl blijft het moeilijk een balans te vinden tussen gerechtigheid en vrede. „We doen ons best maar we zullen ongetwijfeld ook fouten maken.”

Over de nieuwe bendes maakt hij zich nog niet al te veel zorgen. Als gevolg van de lucratieve drugshandel zal criminaliteit nou eenmaal niet verdwijnen in Colombia. „Ongeveer 400 eerder ontwapende paramilitairen maken nu weer deel uit van bendes. Maar tegelijkertijd deserteren er dagelijks gemiddeld tien leden ontgoocheld uit de FARC. De balans blijft dus positief.”

Ex-strijdster Adriana geniet van haar nieuwe vrijheid, al blijft het verleden ook haar achtervolgen. „Mijn vader ziet me nog steeds als een rebel”, zegt ze. „Maar het geweld komt van twee kanten. Ik hoop dat ook het leger inbindt. Want zo lang er veel misère is en de staat in grote delen van het land afwezig is, zal dit conflict voortduren.”

Op verzoek van Adriana is haar naam gefingeerd.