Zoeken naar Frans immigratieverleden

Het vroegere ministerie van Koloniën in Parijs is nu een museum voor immigratie. Volgens critici behandelt het immigratie sinds die een probleem werd.

Bezoekers in het gisteren geopende Parijse museum over immigratie. Eén op de vier Fransen heeft een immigrant binnen drie generaties voorouders. Foto Reuters Visitors look at an exhibition at the National Centre on the History of Immigration in Paris, October 10, 2007. Based in a monumental building that used to house a tribute to colonisation in the 1930s, the museum, which opens today, mixes statistics, charts and photographs with immigrants' accounts of their dangerous journeys in France. REUTERS/Benoit Tessier (FRANCE) REUTERS

Parijs, 11 okt. - Een gevoel van vernedering. Dat brengt het nieuwe Franse nationale museum over immigratie te weeg bij Alassane Sakho. Daar staat hij, 48 jaar geleden geboren in Dakar, ambtenaar van de gemeente Parijs, en nu bezoeker in de pompeuze zaal van het Palais de la Porte Dorée, verwikkeld in een discussie met andere verontwaardigde passanten.

Ooit was dit het ministerie van Koloniën. In 1931 was het de feesthal waar 100 jaar kolonisatie werd gevierd. Gisteren ging hier de Cité Nationale de l’Immigration open, twintig jaar nadat het plan voor een dergelijk museum werd geboren. „En over de kolonisatie, de slavernij – het pijnlijke decor om ons heen: geen woord”, moppert Alassane Sakho.

Toch biedt de Cité Nationale de l´Immigration een primeur in Europa: een groots museum in een staatspaleis ter ere van immigranten. Frankrijk omgeeft de ervaringen van zijn nieuwkomers met grandeur. Een manier van het land om zichzelf te vieren: één op de vier Fransen heeft een immigrant binnen drie generaties voorouders, zo blijkt uit onderzoek. Maar het is ook een poging om het ook in Frankrijk hevige debat over immigratie in een ander perspectief te plaatsen. Binnen deze 1.100 vierkante meter expositieruimte gaat het niet om de immigrant als probleem – niet over integratie, nationale identiteit en culturele versnippering – maar over de immigrant als onlosmakelijk deel van de Franse geschiedenis, over wat ‘zij deden voor ons land’.

De actualiteit van de Cité werd op dag één meteen bewezen. Tot in de regering lopen de politieke spanningen op over de invoering van een DNA-test voor immigranten die voor gezinshereniging naar Frankrijk komen. Immigranten worden in Frankrijk – en Europa – steeds meer apart gezet en tot in de wet apart behandeld, vinden de critici van die testen. „Walgelijk” noemde staatssecretaris Stedenbeleid Fadela Amara de DNA-testen deze week, met de toevoeging dat zij ook sprak als „dochter van immigranten”.

Het DNA-debat zweeft overal in de Cité. Burgemeester Delanoë van Parijs, kopstuk van de socialistische PS, prijst tijdens zijn informele bezoek de aandacht voor de positieve rol van immigranten. „Maar het zou nog mooier zijn als we ook afzien van die DNA-test.”

De rechtse ex-minister van Cultuur en europarlementariër Jacques Toubon, de voortrekker van de Cité, hupt van microfoon naar camera om te onderstrepen dat het debat over DNA-testen alleen maar onderstreept hoe belangrijk het is dat in ‘zijn’ museum de ervaring van immigranten centraal staat.

Voor bezoeker Alassane Sakho vertellen debat en museum hetzelfde verhaal: Frankrijk heeft een probleem met Afrikanen – meer dan met immigranten van waar dan ook. Hij voelt vernedering, zegt hij, „omdat ze er zolang over hebben gedaan om een tentoonstelling over ons in te richten”. Vernedering, omdat geen lid van de regering het staatsmuseum heeft willen openen. Geen woord van president Sarkozy. Minister van Immigratie en Nationale Identiteit Hortefeux: niet gezien. Sakho: „Politici durven geen verantwoordelijkheid te nemen voor wat hier wordt verteld: dat mensen van elders véél hebben bijgedragen aan Frankrijk.”

Maar vernedering voelt Alassane Sakho ook vanwege de naam van de Cité. Toen hij geboren werd, was Segenal nog net niet onafhankelijk van Frankrijk. Zijn vader vocht als soldaat voor de Franse bevrijding van de Duitse bezetting. Hij is altijd Frans geweest. „En nu vertellen ze ons hier dat we immigranten zijn.” Naast Sakho begint Paul, een 65-jarige Fransman geboren in het huidige Congo-Brazzaville, zacht te zingen. „Mooi Frankrijk, la mère patrie… dat hebben ze mij op school geleerd.”

Het museum moet een „ontmoetingsplek” worden waar bezoekers hun ervaringen achterlaten en confronteren met die van voorouders, buren en collega’s met wortels buiten Frankrijk. Critici kunnen in de Cité de l’Immigration munitie te over vinden om zich te beklagen.

De sympathie van de samenstellers ligt ondubbelzinnig bij immigranten. „We hebben 53 nationaliteiten in Mantes-la-Jolie”, staat op een plakkaat in het trappenhuis over deze voorstad bij Parijs, „dat is beter dan in New York”. Op een computerscherm noemt de Portugese immigrant José Baptista de Mista zichzelf „een ware kunstenaar”, want hij heeft met andere gastarbeiders tunnels gegraven voor een metrostation in Parijs. Van een andere kunstenaar, Pablo Picasso, is een citaat opgehangen uit zijn naturalisatieaanvraag uit 1940. Met stempel: afgewezen.

Maar ook bij voorstanders van de Cité bestaan verschillende gevoelens. „Dit museum is te begrensd”, zegt Aissatou Thiam, een zwarte actrice en ex-model uit Marseille die dit voorjaar naam maakt als slavin Rosalie in de eerste Franse tv-serie over het slavernijverleden, Tropiques Amers (Bittere Tropen). Zij drentelt langs de uitgestalde paspoorten, de foto’s, de levensverhalen, en wijst dan op een plakkaat waar de economische rol van immigranten sinds de 19de eeuw wordt geprezen. „Waarom niet de 16de eeuw”, vraagt ze. Haar eigen antwoord: „Dit museum gaat over immigratie vanaf het moment dat het voor Europese landen een last werd. Dat de Franse rijkdom intiem verweven is met de productie van zwarte mensen – vanaf de kolonisatie en de slavernij tot de illegale immigratie nu – blijft taboe.”