Nederlandse kunstrijder is geen stiefkind meer

Het kunstrijden is bezig aan een opmars in Nederland. Het wachten is nu alleen nog op een opvolger van Sjoukje Dijkstra. „Pas als het fundament sterk is kun je een groot huis bouwen.”

Bondscoach Neil Carpenter, kunstrijden kunstschaatsen Foto KNSB KNSB

Of de tijden van Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel zullen terugkeren is nog even de vraag, maar het kunstrijden in Nederland is bezig aan een opmerkelijke opmars. Sinds de lancering van de populaire televisieschaatsshows Sterren dansen op het ijs en Dancing on Ice binden steeds meer schaatsers een paar kunstschaatsen onder. „Kunstrijden is hot”, zegt oud-kampioene Joan Haanappel, sinds een jaar lid van het algemeen bestuur van schaatsbond KNSB.

Hoewel het laatste Nederlandse succes dateert van 1964, steeg het aantal licenties dat de bond verstrekte aan nieuwe kunstrijders die wedstrijden willen rijden alleen al vorig jaar met duizend. Daarmee werd de sport bijna twee keer zo groot, terwijl het aantal licenties voor hardrijders door de zachte winters al jaren terugloopt.

De KNSB pikt nu aan bij het groeiende peloton van televisieschaatsers. De bond wil terug naar de wereldtop, waar Nederland sinds 1964, toen Sjoukje Dijkstra Europees, wereld- en olympisch kampioen werd, nooit meer in de buurt is geweest. Alleen de geboren Amerikaanse Dianne de Leeuw, schaatsend voor Nederland, brak de vrije val enkele jaren. „Helaas steken de successen van het kunstrijden wat povertjes af bij die van het hardrijden”, zegt Joan Haanappel voorzichtig. „Het is jammer dat Nederland, als sportnatie, geen deuk in een pakje boter kan slaan.”

Maar de KNSB wil dat veranderen. „De kunstrijders waren altijd het stiefkind, nu hebben ze weer oog voor ons.” Dat gaat volgens Haanappel wel tijd kosten. Zij verwacht de eerste resultaten pas bij de Winterspelen van 2014. Haar belangrijkste pion is de nieuwe bondscoach Neil Carpenter. De nu 63-jarige Canadees nam in 1964 deel aan de Winterspelen van Innsbruck, maar werd vooral bekend als coach van de Amerikaanse olympisch en wereldkampioen Scott Hamilton en het Canadese talent Ron Shaver.

Dat Carpenter na een carrière van 43 jaar als kunstrijderscoach terechtkomt in een land waar alles draait om langebaanschaatsen, zegt hem niet zo veel. „Het kunstrijden mag nu in Nederland niet zo’n naam hebben, in het verleden is het heel goed geweest. Talent zit overal waar mensen zijn met een hart en twee voeten”, zegt Carpenter, die onder meer twintig jaar coachte aan de bekende Mariposa School of Skating in Ontario. „Natuurlijk draait het hier vooral om de langebaan, maar niet iedereen heeft daar de ideale bouw voor. Als een schaatser te klein is voor de langebaan, of te langzaam, dan neem ik hem. Als een shorttrackschaatser het niet redt, laat maar komen. Ik leer hem wel springen en pirouettes maken.”

Carpenter is aangesteld voor drie jaar, tot en met ‘Vancouver’. Maar hij is vooral in Nederland om de basis te verbreden, om coaches op te leiden en jong talent te helpen ontwikkelen. „Ik weet nog niet precies waar het kunstrijden staat. Ik spreek veel coaches en reis het land door. Niet alleen naar de traditionele banen van Heerenveen, Zoetermeer, Eindhoven en Dordrecht, maar ook naar plekken waar weinig succesvolle schaatsers vandaan komen, om coaches en clubs te bezoeken, om mensen te interesseren voor het kunstrijden. Pas als het fundament sterk is kun je een groot huis bouwen.”

Carpenter realiseert zich wel dat hij voor een bond werkt met meer prioriteiten. De KNSB heeft naast het langebaanschaatsen ook plannen met het shorttracken en het marathonschaatsen, weet de Canadees. „We zullen het kunstrijden zo belangrijk mogelijk maken. Volgens de cijfers, deelnemers, aantal deelnemende landen en de media-aandacht is kunstrijden de grootste sport op de Winterspelen. Nederland moet daar bij willen horen.”

Maar Carpenter weet ook dat de benodigde cultuuromslag naar een positief imago rond het kunstrijden nog een hoop winters zullen vergen. Zo moet er voldoende ijs beschikbaar zijn om op te kunnen trainen. In Canada schaatsen de kunstrijders aan de top drie uur per dag, vijf dagen per week. „Ik denk niet dat we zoveel ijs kunnen krijgen in Nederland. Dus zullen we harder moeten werken met minder ijs. Maar dat hoeft geen probleem te zijn, omdat mensen intensiever werken als ze minder tijd hebben.”

Hij wil vooral de basis verbeteren. „De meeste Nederlandse coaches zijn goed, maar ze moeten meer samenwerken, zodat een coach die goed is op het technische vlak ervaringen uitwisselt met een coach die sterk is in, zeg, choreografie. Overal ter wereld hebben schaatscoaches de neiging met hun eigen groepjes te werken, in plaats van gezamenlijk op te trekken.”

Als hij dat heeft bereikt, is Carpenter klaar met een loopbaan van bijna vijftig jaar. „Na deze klus ga ik met pensioen. Ik geef nog één keer alles wat ik heb, ik vertel alles was ik weet voor wie wil luisteren. Daarna trek ik mijn schaatsen uit en ga ik mijn voeten opwarmen.”