Geen lastige woorden a.u.b.

De Grondwet in eenvoudig Nederlands ligt in de winkel.

Maar weinig mensen weten hoe het Nederlandse politieke systeem in elkaar zit.

De Grondwet, artikel 3: „Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.” De dochter van Henk Kummeling, die pas in 5 havo voor het eerst met de Grondwet werd geconfronteerd, had geen flauw idee wat het betekende.

Kummeling, hoogleraar staatsrecht in Utrecht, kon voor zijn dochter de Grondwet in eenvoudig Nederlands erbij pakken. Daarin stond de vertaling: „Iedere Nederlander kan een baan krijgen bij de overheid.”

Vandaag komt de eenvoudige versie van de Grondwet voor iedereen beschikbaar. Hij is bedoeld om onderwijs over de Grondwet toegankelijker maken, en is gemaakt door BureauTaal, in samenwerking met een college van staatsrechtdeskundigen waartoe ook Kummeling behoort.

De publicatie is volgens Kummeling hard nodig: Uit allerlei onderzoek blijkt dat veel mensen geen idee hebben hoe het Nederlandse politieke systeem in elkaar zit. „We praten wel altijd over inburgering van allochtonen. Maar voor veel andere burgers zou het ook wel eens nuttig zijn om kennis te nemen van hun eigen land.” Een leesbare Grondwet is daarvoor een goed instrument, vindt Kummeling: „Een groot deel van de kernwaarden van de samenleving zijn daar toch in te vinden.”

Het gebrek aan burgerschap van Nederlanders is een grote zorg voor politici. Ze zijn geschrokken van wild wisselende verkiezingsuitslagen, de toename van burgers (onder anderen radicale moslims) die de democratische rechtstaat afwijzen en hun eigen lage populariteit, en zoeken naar een oplossing.

Het opvoeden van de Nederlander tot burger lijkt het antwoord te zijn. Minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) installeerde 8 juni een commissie die voorstellen moest doen om burgers meer bekend te maken met de rechtsstaat. Omdat burgers zich verplicht moeten voelen om de grondrechten van anderen te verdedigen, werkt minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) aan het „Handvest van verantwoordelijk burgerschap” dat al in het regeerakkoord beloofd was.

Dezer dagen vindt ook de internationale ‘week van de democratie’ plaats. De publieke omroepen zenden programma’s uit, er zijn conferenties over burgerparticipatie en politieke partijen en De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling bracht een advies uit over „democratieopvoeding”.

Die aandacht is hard nodig, zegt hoogleraar politicologie Rudy Andeweg. „De relatie tussen burgers en de staat is problematisch.” Die was altijd gebaseerd op „collectiviteiten”. Burgers voerden via politieke partijen, religieuze zuilen en andere organisaties invloed uit op de overheid. Diezelfde overheid kon weer via die organisaties contact leggen met de burger. Andeweg: „Door de individualisering is dat patroon verstoord.” De organisaties spreken niet meer namens hun achterban, en politici weten niet meer naar wie ze moeten luisteren.

„Het ambt van burger is veel te vrijblijvend geworden”, zegt de politicoloog. Dat is ook de schuld van dezelfde overheid die nu klaagt over het gebrek aan burgerschap. De opkomstplicht, de dienstplicht, juryplicht, in Nederland bestaat het allemaal niet (meer). De burger is te veel klant van de overheid geworden, vindt Andeweg. Maar een burger is veel meer dan een consument. „De enige plicht is nog belastingbetaling. Maar die benadrukt de klantrelatie weer. De overheid zegt: het enige wat we van u nodig hebben is geld.” Hij pleit daarom voor het terugbrengen van momenten dat mensen worden aangesproken op hun burgerschap.

Of politici echt op zoek zijn naar meer besef bij de burger, betwijfelt Andeweg. Het referendum over de Europese Grondwet heeft ze bang gemaakt, denkt hij. „Maar het is een vicieuze cirkel: als je bang voor burgers bent, dwing je ze in de rol van afzijdige klant en voelen ze zich niet verantwoordelijk voor hun maatschappij.”