Een oorlogsheld

„Bedroefd hebben wij kennisgenomen van het overlijden van Mr. Siebren Erik Hazelhoff Roelfzema, in leven lid van de Leidse Studenten Vereniging. Ons medeleven gaat uit naar de nabestaanden. Namens de L.S.V. Minerva: het Collegium en de Commissie. Leiden, 1 oktober 2007.”

Deze overlijdensannonce stond zaterdag jl. in deze krant (en op 2 oktober in de Volkskrant). Er staat één foutje in: Hazelhoff Roelfzema is nooit lid geweest van de Leidse Studenten Vereniging Minerva, wél van haar voorganger, het Leidsche Studenten Corps.

Maar die annonce is om een andere reden interessant: er staat niet bij waaróm Erik Hazelhoff aldus geëerd wordt. Daar zou de argeloze lezer de conclusie uit kunnen trekken dat iedereen die ooit lid is geweest van die club (of van haar voorganger), bij overlijden door het bestuur wordt herdacht. Ik bijvoorbeeld te zijner tijd, want ik ben ook lid van die club geweest, en wel tegelijkertijd met Hazelhoff.

Maar dat zal niet gebeuren. Hazelhoff was „de perfecte oorlogsheld” (zoals Elsevier hem in een In Memoriam noemt) en ik niet. Daarom heb ik er vrede mee dat de LSV Minerva mij niet zal gedenken. Maar het corps heeft wel meer oorlogs- of verzetshelden gekend, en ik kan mij niet herinneren dat zij bij hun overlijden aldus geëerd zijn geweest. Een gebrek aan logica dus?

Daarmee wil ik niets afdoen aan Hazelhoffs verdiensten, want die zijn, in de jaren 1940-1945 althans, buitengewoon groot geweest. Hij was inderdaad de oorlogsheld zoals die anders bijna alleen in romans voorkomt en zoals hij in de film Soldaat van Oranje werd geportretteerd.

Maar was hij ook een groot ‘Leienaar’, zoals hij daarin eveneens wordt weergegeven? Als tijdgenoot (in hetzelfde jaar geboren, maar een jaar ouder in studiejaren) kan ik mij dat niet herinneren. Zelf was hij daar heel eerlijk over: die „mythe is pas later ontstaan”, zei hij in een interview met het Leidse studentenblad Mare. Een mythe dus, gecreëerd door die film.

Ook dat komt niet in mindering op zijn verdiensten. Een avonturier als hij moet het corpsleven maar een pueriel aftreksel van het werkelijke leven gevonden hebben. Al in zijn eerste jaar als student was hij, met één dollar op zak, naar Amerika gegaan, waarover hij een boek schreef, Rendez-vous in San Francisco. Niet veel Leienaars zouden hem dit nagedaan hebben. In Leiden wekte het boek dan ook nogal wat kinnesinne.

Zelf heb ik hem in Leiden nauwelijks gekend. Wél was hij, al vóór dat boek, bekend; en wel omdat in zijn groentijd niemand minder dan de corpspraeses een bierglas vanuit de verte naar een menigte groenen had gegooid, welk glas Hazelhoff toevallig trof. Sindsdien liep hij met een groot verband om zijn hoofd rond. Ook vervulde hij een memorabele travestierol in het groenentoneel.

Deze herinneringen geven mij aanleiding tot een paar excursies. De praeses van dat glas heette Ernst de Jonge, een man van grote kwaliteiten – hij studeerde af tijdens zijn praesidiaat (wat op z’n minst van grote zelfdiscipline getuigde) – maar ook een wildeman. De ironie van het lot heeft gewild dat ook hij een held zou worden: hij werd vanuit Engeland boven Nederland gedropt en kwam, verraden, in een concentratiekamp om.

Of was er, behalve van verraad (het Englandspiel), ook van amateurisme sprake? Iemand die in de oorlogsjaren ook in Londen verbleef (en later eveneens op een gevaarlijke missie zou worden uitgestuurd), vertelde mij eens dat hij, in de zomer van 1941 langs de Nederlandse Club in Sackville Street lopend, daaruit een luid geroezemoes hoorde. Wat is hier aan de gang? vroeg hij. Antwoord: Ernst de Jonge geeft een afscheidspartij, omdat hij morgen boven Nederland gedropt wordt.

Mijn andere excursie heeft met de groentijd als zodanig te maken. Ik heb nooit geloofd in de opvoedkundige waarde ervan, waarvan andere reünisten hoog opgeven. Het enige wat je er leerde was: je drukken, niet opvallen, niet de aandacht trekken – wat misschien een bruikbare, maar niet bepaald edele eigenschap is. Hazelhoffs moed kan moeilijk een erfstuk van zijn groentijd zijn geweest.

Overigens heb ik de indruk dat de groentijd – nu met een eufemisme kennismakingstijd genoemd – tegenwoordig meer excessen voortbrengt dan ik in mijn tijd heb meegemaakt. Uitspattingen zoals die onlangs uit Delft tot de buitenwereld doordrongen, kwamen niet voor (op dat bierglasincident na misschien). „De zachte krachten zullen zeker winnen in ’t eind”, dichtte Henriëtte Roland Holst. Helaas is haar voorspelling nog niet bewaarheid (ook buiten het studentenleven niet).

Misschien was mijn groentijd vrij tam omdat in Leiden toen nog de herinnering vrij vers was aan een groentijdsschandaal dat zich in 1911 had voorgedaan. Deze keer geen gewelddadigheden, maar obscene teksten in het groenentoneel. Het collegium (bestuur) zag daarin aanleiding af te treden, hoewel het niet schuldig (maar wel verantwoordelijk) was. Het Delftse bestuur heeft dit voorbeeld kennelijk niet gevolgd.

Terug naar Hazelhoff Roelfzema. Zoals ik zei, heb ik hem nauwelijks gekend. Ik heb, geloof ik, zelfs nooit een woord met hem gewisseld. Toch staan we naast elkaar op een foto die nog wel eens gereproduceerd wordt. Die werd genomen op een kroegjool die uitbarstte toen, op 29 september 1938, het nieuws was doorgekomen van het akkoord van München. De vrede was gered (althans, naar blijken zou, voor slechts een klein jaar), maar wél ten koste van Tsjechoslowakije, dat aan Hitler overgeleverd werd. Geen reden om daar nu met trots op terug te kijken.

Maar daar bekommerden we ons toen niet om, ook Hazelhoff kennelijk niet. Het is toeval dat ons op die foto samenbracht. Tekenender voor die tijd is dat zijn andere buurman iemand is die wél een vriend van hem was; die zou enkele jaren later als SS’er aan het Oostfront sneuvelen. Fata van een generatie, die bijna uitgestorven is.