Duitsland trots op Nobelwinst

Voor het eerst sinds 1973 heeft Duitsland weer Nobelprijzen in twee categorieën tegelijk. En nog wel met vindingen met zulke praktische toepassingen.

Het was een mooi moment, gisteren in het Berlijnse kantoor van de Helmholtz Gemeinschaft, het gerenommeerde Duitse onderzoeksinstituut.

In een piepklein zaaltje zat de kersverse Nobelprijswinnaar voor natuurkunde, Peter Grünberg (68) uit te leggen wat zijn vinding betekent en wat hij met zijn prijsgeld gaat doen. Hij werd geflankeerd door de Duitse wetenschapsminister Annette Schavan (CDU), die ongeduldig op haar stoel zat te draaien.

Schavan fluisterde Grünberg iets in het oor, stond op en verliet even voor twaalf uur haastig de zaal. Om een paar minuten later met een blos op de wangen, zwaaiend met haar mobiele telefoon, terug te keren. Ze nam naast Grünberg plaats, vroeg het woord en deelde triomfantelijk mee dat zojuist bekend was geworden dat wederom een Duitse onderzoeker de Nobelprijs had gekregen, Gerhard Ertl, voor chemie.

Luid geklap, waarna de minister zei dat de beide prijzen een „enorme opsteker” zijn voor Duitsland als onderzoeksland en een kentering ten goede markeren voor de Duitse wetenschap. „We zijn erg trots”, aldus Schavan.

De natuurkundige Grünberg won eergisteren samen met de Fransman Albert Fert de Nobelprijs voor natuurkunde voor de ontdekking van de reusachtige magnetoweerstand, een vondst die heeft geleid tot technologie waarmee informatie van de harde schijf van een computer wordt gelezen.

Gerhard Ertl (71) kreeg de Nobelprijs voor de chemie voor zijn onderzoek naar moleculaire processen aan het oppervlak van materialen. Deze oppervlaktechemicus heeft duidelijk gemaakt hoe autokatalysatoren koolstofmonoxide omzetten in koolstofdioxide.

Grünberg ging gisteren politiek getinte vragen over de betekenis van zijn prijs voor Duitsland als onderzoeksland een beetje uit de weg. „Ik heb altijd mijn gang kunnen gaan”, zei hij. „Maar pas op: andere landen slapen ook niet”.

Hij toonde het tastbare resultaat van zijn vinding aan de camera’s, een apparaat zoals dat tegenwoordig in computers wordt verwerkt om harde schijven mee af te lezen. Waarbij opviel dat Grünberg de tremor heeft van een Parkinsonpatiënt.

Minister Annette Schavan had overigens wel gelijk met haar woorden. Duitsland ís uitgesproken trots op zijn Nobelprijswinnaars. De kranten en tv-rubrieken hebben gisteren en vandaag alle registers opengetrokken om de betekenis van de vindingen van Grünberg en Ertl te verduidelijken. Sinds 1945 gingen 32 Nobelprijzen voor natuurkunde, scheikunde of medicijnen naar Duitsland. Vóór die tijd, in de kortere en door oorlogen en nazibewind geteisterde periode sinds 1901, kregen Duitsers in totaal 36 van deze wetenschappelijke prijzen.

Politiek komen de twee nieuwe prijzen, hoewel die zijn verstrekt voor onderzoek in de jaren ’80, op een goed moment voor de regering van bondskanselier Angela Merkel. Duitsland zit te springen om meer bêta-mensen. Universiteiten en vooral het bedrijfsleven speuren internationaal naar afgestudeerde ingenieurs die verder willen gaan in het toegepaste onderzoek of die het bedrijfsleven aan broodnodige innovaties kunnen helpen.

Onderzoek en ontwikkeling zijn speerpunten van het regeringsbeleid. Merkels kabinet heeft zich als doel gesteld het onderzoeksbudget van de Bondsrepubliek in 2010 op drie procent van het bruto binnenlands product te brengen – van jaarlijks 56 miljard naar bijna 80 miljard euro.

Vraagje nog aan Nobelprijswinnaar Grünberg: welk thema uit de actualiteit zou hem nu het meeste interesseren als onderzoeksobject? „Het energievraagstuk – en vooral de opslag van energie”.