Duits tweedehandsje wordt steeds populairder

Steeds meer Nederlanders kopen zelf een occasion in Duitsland. De auto’s zijn er beter en goedkoper. Wie opziet tegen de papieren rompslomp kan een tussenpersoon nemen. Toch zijn er ook gevaren.

Martin Donker, jurist bij de Rijksoverheid, kocht zijn vier jaar oude Saab cabriolet met amper 30.000 kilometer op de teller voor 17.000 euro bij een dealer in het Duitse Essen. Bij invoer naar Nederland moest hij nog 3.000 euro aan bpm betalen. Tel daarbij een paar honderd euro aan kosten op voor bijvoorbeeld het taxatierapport en Donker heeft zijn felbegeerde Saab voor iets meer dan 20.000 euro voor zijn huis staan. Het heeft hem veel tijd gekost, maar het prijsvoordeel is evident: een vergelijkbare Saab in Nederland kost minstens 28.000 euro.

Toch was het niet alleen de prijs die de doorslag gaf. Donker: „In Duitsland is er meer keuze, zitten er meer accessoires op een auto en hebben ze doorgaans minder kilometers op de teller. En bij een Duitse dealer ben je als klant nog werkelijk koning.”

Donker is niet de enige die zijn tweedehands auto uit Duitsland haalt. Tussen 2005 en 2006 steeg het aantal ingevoerde occasions met 50 procent, van 46.062 naar 68.325 eind 2006. Begin dit jaar stond de teller alweer 28 procent hoger. De Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) schat dat er dit jaar in totaal zo’n 80.000 auto’s zullen worden ingevoerd. Audi, BMW en Volkswagen zijn de populairste merken, maar ook bedrijfswagens zijn in trek.

De vraag rijst waar deze plotselinge belangstelling voor Duitse auto’s vandaan komt? Een eenduidig antwoord lijkt niet te geven. Vanaf 2004 zijn de importregels dank zij Europese wetgeving versoepeld. Daarnaast heeft de euro voor meer prijstransparantie gezorgd en is vorig jaar de technische toelatingskeuring op importoccasions afgeschaft, ook al weer op last van de Europese Commissie.

De geïmporteerde auto’s mogen nu alleen worden onderworpen aan een identiteitscontrole om te kijken of ze niet gestolen zijn. Daarnaast zijn de regels voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) dit jaar veranderd. Om de waarde van de auto te bepalen mag men zelf een (beëdigd) taxateur in de arm nemen. Die taxatiewaarde is belangrijk want daarop wordt de rest die aan bpm moet worden betaald gebaseerd.

Legt de Nederlandse overheid de import dan geen strobreed in de weg? Dat is zeker niet het geval. Volgens Steven Renes, directeur van Auto Import Duitsland (AID), een bedrijf dat in opdracht auto’s importeert, is het de laatste tijd zelfs moeilijker geworden om auto’s te importeren.

Vooral de identiteitschecks van de RDW noemt hij een gruwel. „Het kost enorm veel moeite om auto’s door die controles heen te krijgen”, aldus Renes. Ook mag de douane een tegentaxatie uitvoeren als ze opgegeven taxaties niet vertrouwt. Van die mogelijkheid maken ze gretig gebruik; sinds februari van dit jaar heeft de douane in 4000 gevallen de wagens opnieuw laten taxeren.

Van grootschalige fraude, is volgens een woordvoerder van de douane overigens geen sprake, hoewel ook hij de geruchten kent over auto’s die vóór de taxatie worden gestript van luxe accessoires en voorzien van bijvoorbeeld kapotte bumpers. Dat allemaal om de taxatiewaarde zo laag mogelijk te houden. Als de auto eenmaal geïmporteerd is, gaan de goede bumpers er weer op. In jargon heet deze truc ook wel de gatenkaasmethode. De experts maken zich er niet druk om: het is gerommel in de marge.

Renes is ondertussen begonnen met het aanbieden van leaseoccasions voor de zakelijke markt, in samenwerking met leasemaatschappij Autolease Groningen. Behalve de aanschaf en de papierwinkel regelt AID ook de montage van extra’s, zoals telefoon, navigatie of een trekhaak.

De uiteindelijke besparing wordt verrekend in de maandelijkse leaseprijs. Een besparing van honderden euro’s per maand bij full operational lease is heel goed mogelijk, meent Renes. „Wel moeten mensen de tijd nemen zodat we goed kunnen zoeken. Het zijn de krenten uit de pap die uiteindelijk het meeste voordeel opleveren.”