Dilemma

Wat doen we met Uruzgan? Blijven of gaan?

Het is zo’n dilemma dat de media steeds hinderlijker op je bord leggen, als een vieze, maar gezonde groente waar je niet op zit te wachten. Ik bleef het maar naar de rand schuiven, ook omdat ik het antwoord nog steeds niet wist, al neigde ik naar ‘blijven’. Kon niemand me helpen?

Gelukkig, de Vrije Universiteit in Amsterdam bood kans op redding. Daar houden ze elke maand een ‘actualiteitsdebat’. De toegang is gratis en na afloop krijg je ook nog een drankje. Op die manier wil de VU wetenschap en samenleving bij elkaar brengen.

Goed idee van de wetenschap, maar moeilijk te verkopen aan een samenleving die het al zo druk heeft met samen leven. De burgers moeten er helemaal voor naar de VU en de studenten willen tegen de avond naar huis. Ik trof dan ook maar zo’n vijfentwintig mensen aan op de hoogste – vijftiende – verdieping van het gebouw. We vergaapten ons even aan het uitzicht – grijs, donzig, maar majestueus – en gingen toen aan het werk.

Mient Jan Faber, bijzonder hoogleraar aan de VU, en Farah Karimi, voormalig Tweede Kamerlid voor GroenLinks en kenner van Afghanistan, moesten ons overtuigen van hun ‘gelijk’. Faber is vóór blijven, Karimi is alleen onder bepaalde voorwaarden vóór.

Tevoren werd ons naar ons eigen standpunt gevraagd. Acht waren vóór blijven, negen tegen en zeven wisten het nog niet. In een opwelling van besluitvaardigheid schaarde ik me bij de eerste groep, maar het was zuiverder geweest als ik voor de laatste had gekozen. Soms doe je dingen waarover je zelf nog het meest verbaasd bent.

Karimi begon. Haar te lange verhaal was in de kern boeiend, temeer omdat je bij haar een zekere tweeslachtigheid voelde, zoals je die ook bij jezelf voelt. „Nederland moet er blijven, maar het gaat om de manier waarop”, was haar eerste zin. Ze zag niets in de zogenaamde opbouwmissie, „dat is een woord van de politiek geweest om het erdoor te krijgen”.

Niks schoolboekjes uitdelen, de militairen moeten zich louter richten op de bescherming van de bevolking, daar is te weinig aan gedaan. „Een vertrek zal behoorlijke consequenties hebben”, gaf Karimi toe, „maar blijven lost niks op, tenzij je qua veiligheid echt iets kunt doen.”

„Dus je pleit niet voor weggaan”, zei Faber slim.

Nee, zei ze, dat moest hij haar nou ook weer niet in de mond leggen. Duidelijk was anders.

Het voordeel van het standpunt van Faber was de glasheldere rechtlijnigheid. Blijven, zei hij, tenzij we door de Talibaan verdreven worden. „Als je nu wegloopt, kun je die mensen daar nooit meer recht in de ogen kijken. Dan kunnen we al onze vredesmissies in oorlogssituaties wel doorstrepen. Onze moraliteit komt in het gedrang.”

Het was de spijker op onze morele kop. Opgelucht konden we naar huis. We wilden niet opnieuw een Srebrenica-achtig bloedbad op ons geweten voelen drukken. Als Faber zijn zin kreeg, zou dat ook niet gebeuren.

Maar ik stond nog niet op de tram of een innerlijk stemmetje zei op nare toon: „Hoeveel van onze jongens wil je opofferen aan dat prachtige morele gelijk van Mient Jan?”