Wetenschapper voor eventjes

Promovendi hebben het na hun promotie vaak wel gezien op de universiteit.

Dat bleek tijdens een seminar op de UvA.

Op de vraag wie van de aanwezige promovendi verder wil in de wetenschap, steken zo’n dertig mensen in de zaal hun hand op. De animo voor een baan in de wetenschap onder de 120 aanwezige promovendi en 40 van hun begeleiders is laag, vorige week tijdens het seminar ‘De dr.-factor op de arbeidsmarkt’ op de Universiteit van Amsterdam (UvA).

Uit cijfers van de Vereniging van Universiteiten (VSNU) blijkt dat in Nederland slechts de helft van alle promovendi na zes jaar de eindstreep haalt. Eenmaal gepromoveerd, komt 60 procent buiten de wetenschap terecht. 20 procent van de gepromoveerden werkt een paar jaar als postdoc om daarna de universiteit te verlaten. Uiteindelijk blijft slechts 10 procent van iedereen die start met promotieonderzoek langdurig verbonden aan een wetenschappelijke instelling.

Maar waarom kiezen er nu zo weinig promovendi voor een baan in de wetenschap? Sommigen hebben het wel gezien op de universiteit, zo blijkt uit de reacties op het seminar. Anderen wijzen op het beperkte aantal functies als universitair docent of hoofddocent. Het tekort aan functies maakt de doorstroming naar een vaste aanstelling als wetenschapper moeilijk.

Ook afgevaardigden uit de praktijk – een overheidsinstelling, een onderwijsinstelling en twee mensen uit het bedrijfsleven – komen aan het woord. Hun grootste kritiekpunt: gepromoveerden zijn vooral niet praktisch en efficiënt genoeg.