Waarom?

De afgelopen 25 jaar is het onderwijs onafgebroken vernieuwd. Het oude is blijkbaar versleten dus moet er een nieuw onderwijs worden aangeschaft. Terwijl je verwacht dat het onderwijs onophoudelijk wordt verbeterd door het aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen. Nee, er moet iets heel anders voor in de plaats komen. En snel, het oude kan geen dag langer meer mee. Het prototype van een haastig doorgevoerde alles-moet-anders-operatie was de invoering van de basisvorming. Een jaar voordat de Eerste Kamer er zijn goedkeuring aan zou geven, werd de wet ingevoerd. Protesten werden door staatssecretaris Wallage weggewuifd: de wet wordt niet uitgevoerd, maar er wordt alleen een begin gemaakt met de invoering ervan. De invoering van de uitvoering dus. En waarom die haast? Omdat Wallage donders goed wist dat, als iedereen in de gaten had wat het inhield, het niet door zou gaan.

Een tweede kenmerk van onderwijsvernieuwingen is dat degenen die de vernieuwingen moeten realiseren, de leraren, niet bij de besluitvorming worden betrokken. Integendeel. Door onderwijsvernieuwers zijn ze altijd weggezet als spelbrekers waar je geen kant mee op kon. Terwijl ze toch het nodige hadden kunnen vertellen over de haalbaarheid van de basisvorming, die inhield dat alle leerlingen van alle scholen in de eerste leerjaren dezelfde 15 vakken zouden krijgen, afgesloten met een voor iedereen, van voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) tot gymnasium, gelijk examen. Vooral de leerlingen uit het vbo waren de dupe van deze illusie. Als leraren een stem hadden in het beleid, was dit nooit gebeurd.

Een andere belanghebbende partij naar wie niet wordt geluisterd zijn de ouders. Had men dit wel gedaan dan was het Nederlandse onderwijs een andere ramp bespaard gebleven: die van de samenvoeging van vbo en mavo. Omstreeks 1990 gingen meer mensen naar hogeschool en universiteit dan de arbeidsmarkt behoefde. Die kostbare investeringen brachten dus niets op. Met de invoering van het vmbo zorgde staatssecretaris Netelenbos ervoor dat tweederde van de scholieren meteen na de basisschool richting beroepsonderwijs werd gedwongen. Tegen de tijd dat deze vernieuwing was ingevoerd was het economische tij overigens gekeerd en was er een schreeuwend gebrek aan hoogopgeleiden, maar met de invoering van het vmbo was de aanvoer via de pijplijn mavo tot stilstand gekomen. Uit onderzoek bleek al spoedig dat het overgrote deel van de ouders de mavo terug wilde, maar een vernieuwing terugdraaien, dat zou erkenning betekenen van gemaakte fouten. Dat doen we dus never nooit, liever laten we zo’n vernieuwing doodbloeden. Tot er niets van over is, zoals bij de basisvorming, of zoals we dat inmiddels ook zien bij het vmbo dat geleidelijk zijn mavo-poot ziet verdwijnen en weer wordt wat het altijd geweest is: vbo.

Ten slotte de derde categorie met wie het verstandig is rekening te houden: de leerlingen. Universiteiten klaagden dat aankomende studenten te weinig wisten en niet zelfstandig konden werken. In een eruptie van gestrengheid werd, met de invoering van de profielen, besloten tot een stevige aanpak, wat leidde tot overvolle vakkenpakketten. En omdat studenten op hun negentiende niet zelfstandig konden werken werden leerlingen geacht dat op hun zestiende in het studiehuis wel te kunnen. De onrealistische eisen resulteerden in de legendarische scholierenstaking van 1999 met als reactie even overhaaste als ondoordachte aanpassingen. Het uiteindelijke resultaat van deze vernieuwing is dat de klachten van hogescholen en universiteiten over het gebrek aan kennis van aankomende studenten alleen maar zijn toegenomen.

Dat krijg je dus als politici zich laten drijven door ideologische vergezichten en hun oren laten hangen naar besturen, vakbonden, en, zo mogelijk nog erger, onderwijskundigen. En vergeten dat er ook nog leraren, leerlingen en ouders zijn.