Nederlander

Hoe meer er over ‘de’ Nederlander gesproken wordt, hoe wanhopiger ik word. Hij móét ergens in het wild leven, heb ik begrepen, maar nooit heeft hij zich aan mij vertoond.

Iedere keer dat zijn karaktertrekken genoemd worden, zie ik stoeten Nederlanders opdoemen voor wie die trekken helemaal niet gelden.

Hij zou een gierigaard zijn die maar één koekje bij de thee presenteert. Prinses Máxima heeft dat voorbeeld ook genoemd, maar ze prees tevens ‘de enorme gastvrijheid’. Is dat met elkaar in strijd? Helemaal niet. In het westen krijg je een koekje, in Brabant en Limburg een vlaai en in Drenthe een Drentse stoet. De een is sober, de ander gul, maar gierigheid is iets anders. Als ‘de’ Nederlander gierig was, zou hij niet zoveel weggeven aan allerlei charitatieve doelen.

Hoe ziet ‘de’ Nederlander er verder uit? De critici van Máxima mogen het zeggen.

Tot dusver viel me in de opsommingen van ‘typisch Nederlandse’ karaktertrekken de overheersing van de negatieve kwalificaties op. Behalve gierig zouden wij lomp en onbeschoft zijn, confronterend, tactloos, individualistisch, te onafhankelijk, eigenwijs.

Weten we nu meer van ‘de’ Nederlander? Ik niet.

Ik ken namelijk talloze niet-lompe, niet-onbeschofte, niet-tactloze, niet-individualistische, niet-onafhankelijke, niet-eigenwijze Nederlanders. Zijn zij dan in de minderheid? Wie bewijst dat?

Generaliseren over abstracties als volksaard is een riskante bezigheid, meer geschikt voor cartoonisten en cabaretiers. Lees onze cultuurfilosoof Huizinga er maar op na, hij kwam wat betreft Nederland ook niet veel verder dan etiketten die je op zoveel volkeren kunt plakken: burgerlijkheid, baldadigheid, onbeleefdheid en, natuurlijk, die krenterigheid weer.

Zo komen we algauw terecht bij oorlogszuchtige Duitsers, propere Zwitsers, vrekkige Schotten, hoogmoedige Engelsen, geile Italianen, onvriendelijke Fransen, onbeschaafde Amerikanen en slaafse Japanners. En je eindigt, als je maar lang genoeg aan de borreltafel doorgaat, bij luie zwartjes.

Is er dan helemaal niets waarmee we onze zogenaamde nationale identiteit kunnen redden? Kunnen we onze door Máxima geschokte historici, politieke denkers en de Bond van Oranjeverenigingen niet een béétje geruststellen? Zij voelen zich al bijna beroofd van hun vaderland.

Ik doe een poging. Identiteit is een pretentieus woord met een ongrijpbare lading. Er is misschien eerder zoiets als een nationaal humeur, een vage stemming die als een grijze wolk boven onze Hollandse hoofden hangt.

Dat humeur is zeer wisselvallig, want beïnvloedbaar. We rouwen hysterisch om een dode zanger, en worden euforisch als elf van onze zonen toevallig een keertje goed tegen een bal trappen. We prijzen uitbundig Wim Kok, maar omhelzen een jaartje later Pim Fortuyn. De komst van een mooie buitenlandse meid als toekomstige koningin vervult ons met chauvinistische trots, totdat zij het waagt enkele oprechte reisindrukken te geven – hoe ‘onverantwoord’!

We kunnen het woord identiteit maar beter veranderen. Noem het liever ‘indentiteit’, dat woord dat minder geletterde Nederlanders in straatinterviews gebruiken. Een niet-bestaand woord dat perfect bij ‘de’ niet-bestaande Nederlander past.