Mooie stille tocht van Köhler

Gistermiddag, rond twaalf uur, waterig zonnetje. De schaarse wandelaars op het Toernooiveld in Den Haag en een enkele flinkerd op het terras van bodega De Posthoorn aan het Voorhout zien een verlengde zwarte Mercedes tussen enkele motoragenten met blauw zwaailicht langskomen. Die paar mensen kijken maar matig geïnteresseerd naar die lange auto waarin iemand zit die een driedaags staatsbezoek brengt aan Nederland: de Duitse bondspresident Horst Köhler. Maar dat weet bijna niemand, want het staatsbezoek uit ons grootste buurland valt vooral op doordat het zo weinig opvalt en doordat het zo weinig media-aandacht krijgt.

Vergeleken met de belangstelling die ex-president Clinton vorige week als publicitair kanon kreeg voor zijn handtekeningenactie in een Rotterdamse boekhandel, lijkt de publieke stilte rondom Köhlers bezoek haast pijnlijk. Met tien seconden in het Journaal moest hij het doen, gisteravond. Zij aan zij met premier Balkenende en de burgemeester van Rotterdam. Zijn kranslegging bij, uiteraard, Zadkines herinnering aan het Duitse bombardement van mei 1940 op de Maasstad was een korte toegift na veel Hirsi Ali en haar slepende veiligheidsdilemma’s en nog meer Holleeder en zijn door veel plotselinge sterfgevallen getroffen vriendenkring. Maar de 64-jarige Köhler, anderhalf decennium geleden eerste onderhandelaar (‘sjerpa’) van de toenmalige kanselier Kohl, zal over die stilte rond zijn bezoek vermoedelijk helemaal niet zo treurig zijn. Die stilte was immers min of meer symbolisch voor de normalisering van de Duits-Nederlandse betrekkingen in de afgelopen tien tot twaalf jaar. Cruijff wil nog weleens zeggen dat je met Duitsers altijd moet blijven oppassen, maar dan bedoelt hij hun taaie manier van voetballen en hun gewoonte de tegenstander in de laatste minuten nog even te verrassen.

Normalisering? De Duits-Nederlandse betrekkingen zijn zó goed dat buiten een kleine groep van politici, diplomaten en wetenschappers niemand er meer veel aandacht aan geeft. De Duitse journaals die ik gisteravond zag berichtten trouwens niets over het staatsbezoek van de president aan het vroeger, in de eerste vijftig naoorlogse jaren, om zijn Deutschfeindlichkeit zo geduchte kleine westelijke buurland.

In die vijftig jaar cultiveerden veel Nederlanders de periode van de Duitse bezetting zó dat het er vaak op leek dat er van de acht miljoen landgenoten tussen 1940 en 1945 negen miljoen in het verzet hadden gezeten. Grote aantallen damesfietsen (van oma) wilden we terug en de ster op de motorkap van zo’n Mercedes met een Duitse nummerplaat had ook een zekere waarde als Wiedergutmachung. En mochten onze voetballers (Oranje) van de Duitsers winnen, dan werd dat gevierd alsof we alsnog een slag in de Tweede Wereldoorlog hadden gewonnen. Dat zulke euforie over een gewonnen voetbalwedstrijd ook enige zelfmarginalisering leek in te houden, namelijk alsof we niets anders zó goed konden en niets anders zó belangrijk vonden, kreeg weinig aandacht. In sommige dag- en weekbladen gold het als een soort daad van verzet om in Duitse citaten taalfouten te maken. Vervelend is dat we daar zó goed op hebben geoefend dat we nu niet anders meer kunnen in het verkeer met onze belangrijkste buur. In die halve eeuw van ons posterieure verzet was het voor Duitse politici, als zij al welkom waren, een karwei om Nederland aan te doen. Pas de derde (West-Duitse) bondspresident, de SPD’er en pacifist Gustav Heinemann, een ‘goede’ Duitser dus, was in 1969 als staatshoofd welkom voor een bezoek. Daarna zou het tot 1985 duren voor Richard (‘Silberlocke’) von Weizsäcker officieel zijn opwachting mocht maken in Nederland. Deze in-goede Weizsäcker, die zelf vaak kritisch over de Duitsers en hun jongste geschiedenis sprak, werd hier te lande zeer gerespecteerd, ja zelfs enigszins geadoreerd. Zózeer geadoreerd werd hij soms dat het erop kon lijken dat wij daardoor wat gemakkelijker afstand konden houden van ‘gewone’ Duitse politici als Kohl en Genscher, lange jaren minister van Buitenlandse Zaken.

Midden jaren negentig pas kwam er een kentering. Een kentering die behalve met het verstrijken van de tijd te maken had met acties van de nieuw aangetreden premier Kok en, onder zijn verantwoordelijkheid, koningin Beatrix. Kok maakte zijn eerste buitenlandse reis als minister-president naar bondskanselier Kohl, die door bijna heel Nederland verontwaardigd werd gezien als de man die de kandidatuur van ‘onze Lubbers’ voor het voorzitterschap van de Europese Commissie had gedwarsboomd. Wat deed Kok? Hij maakte duidelijk dat hij geen escalatie over deze kwestie wenste maar juist veel wilde investeren in de betrekkingen met de Bondsrepubliek. Wat deed de koningin? Zij sprak in Israël een rede uit waarin zij, kort gezegd, de beweerde heldhaftigheid van veel Nederlanders in de oorlogsjaren relativeerde.

Zo begon de kentering. Twaalf jaar later rijdt bondspresident Köhler nagenoeg onopgemerkt door Den Haag. Hij zal er niet over hebben geklaagd.

J.M. Bik is medewerker van NRC Handelsblad.