Máxima heeft historisch zeker een punt

Nederland is een multiculturele, pluriforme natiestaat. Het debat over identiteit gaat in feite over de vraag of en zo ja hoe immigranten deel kunnen uitmaken van die natie, vindt Peter van der Veer.

Frank Ankersmit identificeert zich in zijn opinieartikel van 2 oktober als hoogleraar geschiedfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn beroepsidentiteit is dus die van academisch historicus. Dat vindt hij een belangrijke identiteit voor het bespreken van het vraagstuk van de ‘nationale identiteit’. Want hij raadt op een nogal belerende toon prinses Máxima, die onlangs uitsprak dat ‘de’ Nederlandse identiteit niet bestaat, aan vooral bij haar man te rade te gaan, omdat die historicus is.

In Trouw (1 september) identificeert hij zich in een stuk over hetzelfde onderwerp als actief lid van de VVD. Dat is dus zijn politieke identiteit. Daar verkondigt hij de stelling dat minister Vogelaar niet op de hoogte is van het harde historische feit dat cultuurvermenging nooit en te nimmer plaatsvindt en dat het dus onzin is te verwachten, zoals Vogelaar doet, dat er een vermenging zal plaatsvinden tussen „onze joods-christelijke cultuur en die van de islam”.

We mogen aannemen dat Ankersmit ‘autochtoon’ Nederlander is, maar hij zou ook Surinamer kunnen zijn of Surinaams-Nederlander. Het één is een etnische identiteit van de meerderheid van de Nederlandse bevolking, het tweede van een minderheid. Deze verschillende elementen van Ankersmits identiteit zijn van belang in hun samenhang, omdat hij zijn academische identiteit als historicus inzet voor een etnisch politiek doel, namelijk het ‘autochtoon’ populisme van de VVD.

Zoals de professionele identiteit van de academische historicus een historisch fenomeen is, zo is natuurlijk ook de nationale identiteit een historisch fenomeen. In feite hangt de opkomst van die twee identiteiten ook sterk samen: de historicus ziet zich vaak als hoeder van de nationale geschiedenis en dus van de nationale identiteit.

Toch zijn niet alle historici nationalisten. Professionele geschiedschrijving laat vaak zien dat de nationale identiteit niet het product van één historische lijn is, zoals Ankersmit denkt, maar een identiteit die in een proces van staatsvorming in de negentiende eeuw sterker wordt naast andere identiteiten. Dat kunnen regionale identiteiten zijn, zoals de Friese identiteit met een eigen taal en literatuur, klasse-identiteiten, zoals die van de arbeidersklasse met een internationalistische inslag, of, heel belangrijk in Nederland, religieuze identiteiten.

Lang hadden Nederlanders religieuze identiteiten die zeker zo sterk waren als de nationale identiteit. Twee geloven op één kussen daar slaapt de duivel tussen, zoals een spreekwoord mooi zegt. Het is die diversiteit en het daarbij behorende politieke proces dat zo belangrijk is in het debat over identiteit en ook in het historische onderzoek daarvan.

Nederland is een multiculturele, pluriforme natiestaat. Het debat gaat in feite over of en zo ja hoe immigranten deel kunnen uitmaken van die natie. De term ‘joods-christelijke beschaving’ komt pas in zwang na de Tweede Wereldoorlog en het rumoer over Vogelaars toevoeging van ‘islamitisch’ is dan ook zuiver politiek. Het is een retorische term die historisch bepaald is en men mag hopen dat er niet een oorlog voor nodig is om de term joods-islamitisch-christelijk ingang te laten vinden.

Marokkanen in Nederland hebben twee paspoorten, kunnen zij dan deel uitmaken van de Nederlandse natie? De meerderheid van de Tweede Kamer heeft daar ja op gezegd.

Kunnen culturen versmelten, zoals ook religies syncretisme kennen? Ondanks Ankersmits stelligheid dat dat niet kan zullen veel historici het hierin niet met hem eens zijn. Het gaat hier dus niet om historische feiten, waarvan men kennis moet nemen, maar om interpretaties die politiek gekleurd zijn. Dat is ook prima, maar Ankersmit zou dat duidelijk moeten zeggen en niet pretenderen dat hij een zuiver wetenschappelijk, onomstreden standpunt heeft.

Ook zijn oordeel over het Amerikaanse optreden in Irak als het gevolg van gebrek aan historisch besef van nationale identiteit laat eigenlijk een verbazingwekkend gebrek aan historische analyse zien. Imperialisme is veel ouder dan de huidige Amerikaanse wereldhegemonie en Irak is een Brits product. Het Britse en het huidige Amerikaanse imperialisme vinden hun legitimatie in liberale denkbeelden over het opvoeden van onvolwassen volkeren tot volwassen naties. Van dat gedachtegoed komen brokken, zou een onafhankelijke historicus kunnen zeggen.

Prinses Máxima neemt deel aan het historische debat, maar professor Ankersmit wil haar dat recht ontzeggen, omdat zij de historische feiten niet zou kennen. De historische feiten zijn echter anders dan hij ze presenteert en Máxima’s positie is niet alleen historisch zeer te verdedigen, maar vooral politiek heel verschillend van die van de VVD-historicus. Máxima en Ankersmit zijn daarmee gelijkwaardige deelnemers aan wat in de eerste plaats een politiek debat over de interpretatie van geschiedenis is.

Peter van der Veer is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht.

Lees het artikel van Ankersmit op nrc.nl/opinie.