Jannetje van Jan van Wouterus

Onlangs kwamen veertig nichten en neven van de 78-jarige vader van Jannetje Koelewijn bij elkaar voor een familiereünie in Bunschoten. Een deel van de vrouwen loopt in klederdracht.

De boerderij van mijn overgrootvader is er nog. Maar waar vroeger de boomgaard was, staan nu huizen. De stal is een zaaltje geworden, met gekleurde lampen aan het plafond. Bunschoten, zaterdag 29 september 2007. Op de met wit papier gedekte tafels ligt de tekst van de psalmen die straks gezongen zullen worden, in de berijming van 1773. Ai, ziet, hoe goed, hoe lieflijk is ’t, dat zonen van ’t zelfde huis als broeders samen wonen.

Veertig nichten en neven van mijn vader (78) zijn bij elkaar gekomen voor een familiereünie. Een deel van de vrouwen – zij die nooit uit het dorp zijn weggegaan – loopt in klederdracht.

Het is mijn vaders idee dat ik hier ben. Hij wil mij over zijn leven vertellen voordat hij doodgaat en hij vindt dat dit erbij hoort. Zelf is hij geboren in Amsterdam, omdat zijn vader hier geen bestaan kon opbouwen. Een visserszoon uit Spakenburg, maar nadat de Afsluitdijk was aangelegd viel er weinig meer te vissen. Hij trouwde met een boerendochter – mijn grootmoeder – en werd politieman.

De nichten en neven zijn familie van mijn grootmoeder, en al kennen ze me niet, ze kunnen me vertellen wie ik ben. Jannetje van Willem van Jannetje die naar Amsterdam ging en die er een van Jan de veehouder was, zoon van Wouterus de smid. Dan mag ik aanschuiven en krijg ik gebak met slagroom. Wil ik ook een glaasje boerenjongens? Advocaat? Citroenjenever met suiker? Vruchten op brandewijn?

Jannetje die naar Amsterdam ging. Zo heb ik nooit over mijn grootmoeder gedacht. Maar hier is zij de vrouw die op de dag van haar huwelijk gewone kleren aantrok en haar geboortedorp verliet. Dat was in 1928. Ze bleef gereformeerd, ze durfde op zondag niet eens te breien. Maar van haar kleinkinderen gelooft er bijna niet een meer. Op haar sterfbed huilde ze van angst voor de Rechter die haar daarvoor straks ter verantwoording zou roepen.

Bij de deur van de stal hangt een foto van haar ouders, mijn overgrootouders, gemaakt ter gelegenheid van hun huwelijk, in 1888. Hij in een zwarte boerenkiel. Zij in een lange zwarte jurk, met een zwart schort voor. „Echte zijde”, zegt een van de nichten van mijn vader. „Met heel veel plooitjes.”

Een wit kapje bedekt het haar van mijn overgrootmoeder, haar oren en haar hals. Een jaar later werd haar eerste kind geboren. Ze kreeg er vijftien, van wie er veertien volwassen werden. Zelf overleed ze op haar 47ste. Nicht Lammertje zegt: „Het waren haar nieren.” Nicht Aartje: „Het was haar hoofd. Ze had altijd hoofdpijn.”

Er wordt stokbrood met gerookte zalm gegeten en om zeven uur draagt de poelier het warm en koud buffet binnen. Huzarensla, nasi, saté, Thaise kip. Geen paling, dat zou te duur zijn geweest. „Reken op anderhalf pond per persoon”, zegt neef Wouter. „Veertig keer vijftien euro.” Daarbij, echt goede paling, die uit het IJsselmeer, is er bijna niet meer.

Er wordt een feestlied gezongen. Willen wij Hem dank betuigen, die dit ons heeft bereid. Willen wij tesaam Hem bidden, dat Hij verder u nu leidt. Er wordt een mop verteld. Waar kun je een bolletjesslikker aan herkennen? Aan de tulpen die uit zijn kont komen. Nicht Aartje vraagt aan neef Evert met de bolle buik of hij soms op de brommer is gekomen. Nee, hoezo? Ze dacht dat hij z’n helm onder zijn bloes had gestopt. Ze giert het uit als hij haar vastgrijpt en door elkaar schudt.

Om negen uur is het voorbij. Mijn vader stapt aangedaan de stal uit, de regen in. Ik moet weten dat hij hier als jongen alle vakanties kwam, op de fiets uit Amsterdam, samen met zijn ouders die hun leven lang bleven denken dat ze ooit zouden terugkeren. Ik moet ook weten dat hij hier de man is die een meneer werd en al zijn zes kinderen liet studeren. Maar wat heeft het hem gebracht? Niets dan geloofsafval.