Havo ‘voor dummies’

Voor de derde keer in negen jaar is het mes gezet in de les-programma’s van havo en vwo. Over hemelbestormers, ‘vak-ontwikkelgroepen’, zigzag-beleid en slappe knieën.

Vraag Sandra de Kort of ze tevreden is dat ze met de hakken over de sloot in havo vijf is beland en er klinkt een hartgrondig ‘NEE’. Kijk hoeveel gemakkelijker haar profiel Cultuur en Maatschappij in de vierde is geworden. Wiskunde niet langer verplicht. Economie geschrapt. Algemene natuurwetenschappen verdwenen. De talen niet meer opgesplitst in deelvakken luisteren, lezen en spreekvaardigheid. Om maar te zwijgen over de nieuwe lesstof voor geschiedenis, aardrijkskunde en maatschappijleer. Als ik straks zak voor mijn havo-examen, vraagt Sandra aan haar decaan, wat dan? „Moet ik dan gaan voor dat dummy-diploma?”

Tweedeling in de hoogste klassen van havo en vwo. Vierdeklassers volgen sinds dit schooljaar een aangepast lesprogramma. Het mes is gezet in het ‘overladen en versnipperde’ examenprogramma. Met meer keuzevakken, minder wiskunde en exacte vakken, aangepaste lesstof, versoepelde exameneisen en geschrapte deelvakken.

Het is de derde grote ingreep in amper negen jaar Tweede Fase die bovenbouwscholieren op havo en vwo verplicht te kiezen voor het profiel Cultuur en Maatschappij of Economie en Maatschappij of Natuur en Gezondheid of Natuur en Techniek. Onwaarschijnlijk dat het de laatste is. Twee ‘profielcommissies’ kwamen met weer een ingrijpende verbouwing. Ze adviseren de vier profielen te beperken tot twee, één voor alfa’s, de ander voor beta’s – op z’n vroegst in 2012. Maar staatssecretaris Van Bijsterveldt schreef de Tweede Kamer dat de discussie „te verwarrend” is nu scholen zijn begonnen met de Hernieuwde Tweede Fase.

Wie had dat kunnen denken, begin jaren negentig? Toen mochten vernieuwingsgezinde hemelbestormers van PvdA-staatssecretaris Wallage een spiksplinternieuw lesprogramma samenstellen voor de hoogste klassen van havo en vwo. Dat was nodig omdat universiteiten en hogescholen klaagden over de hoge uitval onder studenten, toen drie op elke tien eerstejaars. En duizenden afgestudeerden zaten werkloos thuis, aan lager opgeleid personeel was juist groot gebrek.

Havo en vwo moesten zwaarder worden, concludeerde Wallages ‘stuurgroep’. In plaats van vrije (pret)pakketten moesten vierdeklassers kiezen voor een profiel met verplichte vakken. Ook de manier van lesgeven moest op de schop. De commissie stelde ‘de zelfwerkzame leerling’ centraal. Leraren konden voortaan geen urenlange monologen voor de klas houden, maar moesten individueel begeleider worden om scholieren vaardigheden bij te brengen in plaats van feitenkennis.

Kamerleden, scholen en docenten waren onder de indruk. Deze plannen draaiden niet om een bezuiniging of nieuwe structuur maar om inhoud. Daarover mochten alle betrokkenen meepraten, draagvlak werd het sleutelwoord.

Leraren stortten zich in ‘vakontwikkelgroepen’ op de examenprogramma’s, pedagogen mochten leraren voorbereiden op hun nieuwe taak van studiecoach en rectoren gingen aan de slag met mediatheek en lesroosters. En de politici timmerden een lessentabel in elkaar gebaseerd op een gemiddelde werkweek van 45 uur. Met een bevreemdend kwartetspel tot gevolg. Zo werd het slotdebat beheerst door een ruzie over maatschappijleer, dat volgens het CDA verplicht moest worden.

Dat de Tweede Kamer zich in de onderwijsvernieuwing had verslikt bleek al in 1998, toen de eerste scholen de plannen in praktijk brachten. Lesmateriaal was niet klaar. Roosters waren niet kloppend. Leerlingen klaagden over overladen lesprogramma’s en moesten examen doen in veertien of vijftien vakken in plaats van zes of zeven. Leraren moesten hun lesstof in minder lesuren overbrengen en kregen door de vele praktijkopdrachten meer nakijkwerk. Zodat al na tien weken toenmalig staatssecretaris van Onderwijs, Adelmund (PvdA), de werkdruk verlichtte. Scholen mochten de praktijkuren voor scheikunde, biologie en natuurkunde inkorten om de vrijgekomen tijd aan klassikale theorielessen te besteden.

Een uit de hand gelopen demonstratie tegen de Tweede Fase in 1999 deed de rest. Nieuwe ingrepen waren het gevolg. Zo beperkte Adelmund het aantal profielwerkstukken tot één. Examenregelingen werden versoepeld. Ook wilde ze algemene natuurwetenschappen, de verplichte wiskunde en een tweede vreemde taal schrappen, maar na woedende reacties van scholen die net hun lesprogramma op orde hadden, trok ze dat weer in.

Haar opvolger, minister Van der Hoeven, kreeg dat wel voor elkaar. Inmiddels had de Onderwijsinspectie uitgezocht wat er van het ‘nieuwe leren’ terechtkwam: veel leraren gaven ‘armoedig’ les. Praktische opdrachten bedenken, werkstukken nakijken en computers bij de lessen betrekken: niet eenvoudig. Ruim 35 procent van de docenten had minder plezier in lesgeven. De Tweede Kamer concludeerde, met de minister, dat het tijd was voor de verbouwing waaraan de vierdeklassers dit schooljaar begonnen.

Vraag is of deze Herziene Tweede Fase scholieren beter voorbereidt op een vervolgstudie. Voor een antwoord is het nog te vroeg – het duurt nog anderhalf jaar voordat de eerste lichting een diploma heeft, en daarna nog vier jaar voordat de eerste studenten afstuderen. Feit is wel, zegt Jan Veldhuis, dat de ministers en staatssecretarissen die betrokken waren bij de Tweede Fase verantwoordelijk zijn voor „zigzag beleid” en „slappe knieën”.

Veldhuis was nauw betrokken bij de Tweede Fase, in de jaren 90 als universiteitsbestuurder, de laatste twee jaar als voorzitter van de beide profielcommissies. Hij constateert dat elke staatssecretaris en elke minister eigen uitgangspunten hanteerde. Zag Wallage de Tweede Fase als een selectiemiddel, Netelenbos kon dat in voorspoedige economische tijden nauwelijks verdedigen en sloeg waarschuwingen tegen het nieuwe leren in de wind. Toen ging staatssecretaris Adelmund „te snel” voor de protesten door de knieën. Waarna minister Van der Hoeven ook het ‘nieuwe leren’ in de ban deed.

Veldhuis: „Die tegengestelde accenten hebben de Tweede Fase vertroebeld. Dat zal ook blijken uit het parlementaire onderzoek dat de Tweede Kamer nu doet. Mogelijk vormen hun conclusies samen met ons advies een goede basis om weer een rechtere lijn te trekken. Je kunt niet om de noodzaak heen het havo- en vwo-onderwijs een steviger gemeenschappelijke basis te geven: met meer cijfermatig alfabetisme, taalvaardigheid en algemene ontwikkeling. ”

Zolang kan Sandra de Kort niet wachten. Wat als zij dit schooljaar zakt voor haar examen? Haar decaan is duidelijk. Op school doen gezakte kandidaten in het nieuwe schooljaar examen in het versoepelde lesprogramma. Wil ze dat niet, dan kan ze terecht bij het volwassenenonderwijs, op de avondschool. Daar beginnen ze een ‘bezemklasje’.

De scholiere uit havo 5 slaakt een zucht van verlichting. Wiskunde en economie zijn haar struikelblokken. Maar ze heeft liever een diploma mét dan zonder die vakken. Begint ze met een geruster hart aan de Pabo. „Daar word je toch weggestuurd als je niet kunt rekenen?”