Ga snel kijken! En neem de kinderen mee

Vandaag opent de tentoonstelling Alles Beweegt met de magische machines van Jean Tinguely.

Bezoekers moeten alle machines zelf aanzetten.

1Het is letterlijk een enorm spektakel.

Het is met een lengte van 25 meter en een gewicht van ruim drie ton het allergrootste kunstwerk dat de Kunsthal in Rotterdam ooit in een zaal heeft neergezet. Voordat het zover was, moest het op twee diepladers en in verschillende trucks van het Zwitserse Bazel naar Rotterdam worden vervoerd. De Luminator is een hijskraanarm versierd met schroot en gekleurde lampen, aangedreven door een motor. Want de Luminator beweegt. Langzaam draaiend, schommelend en wiegend. Met rondcirkelende glazig kijkende hertenkoppen en aan het uiteinde de Zwitserse vlag. Het is het laatste werk van de in 1992 overleden Zwitserse kinetische kunstenaar Jean Tinguely.

Luminator is een kroonluchter. Maar hangen kan hij alleen in het – er speciaal omheen gebouwde – Tinguelymuseum in Bazel. Hier steunt hij op een constructie die De Kunsthal speciaal heeft laten maken in de stijl van de oranje dakbalken van architect Rem Koolhaas. „Het was een grote schroothoop, letterlijk”, vertelt tentoonstellingsmaker Jannet de Goede. Alle onderdelen zijn opnieuw in elkaar geschroefd en gelast. Vijf medewerkers van het museum in Bazel, onder wie de oud-assistent van Tinguely, helpen bij de reconstructie en opbouw. Een hijskraan buiten heeft Luminator op de steun gehesen, daarvoor moest eerst een stukje dak worden verwijderd. De Goede: „Het staat nu precies boven een pilaar in hal één, hieronder. De vloer zou het moeten houden.”

2Tinguely was één van de eerste kunstenaars die bewegende schilderijen maakten.

Midden jaren zestig was Jean Tinguely (1925-1991) wereldberoemd. Hij behoorde tot de internationale avant-garde. Zijn voorliefde voor beweging, toeval en eenvoud ontwikkelde hij in 1952 in van experimentele kunst broeiend Parijs. Samen met andere kunstenaars als Viktor Vasarely en Marcel Duchamp was zijn werk in 1955 te zien op Le Mouvement , de eerste tentoonstelling over het fenomeen ‘beweging in de kunst’. Vanuit het Dadaïsme ontwikkelde hij zich als een van de kopstukken van de nieuwe kinetische stroming: Nouveau Réalisme. „Tinguely was de grootste en flamboyantste vertolker van die stroming en heeft ontzettend veel losgemaakt”, zegt hedendaags kinetisch kunstenaar Mark Bischof. „Hij was gedreven, maakte ontzettend veel en vaak op een hele controversiële, provocerende manier.”

Tinguely’s eerste werken waren nog bewegende schilderijen; raderen met kleurvlakken die door het ronddraaien steeds van compositie veranderen. Met machines die tekeningen maken veranderde hij de passieve rol van de kunstkijker in die van kunstgebruiker, en de rol van de machine als kunstobject in een rol als kunstmaker. Zijn sculpturen verzelfstandigden en evalueerden daarna tot grotere machines die, aangedreven door elektromotoren, wind, water, dynamiet of zwaartekracht konden bewegen.

Zijn bekendste kunstwerk is waarschijnlijk de Stravinsky Fontein in Parijs, die hij in 1983 maakte samen met zijn partner Niki de Saint Phalle. Iedere toerist heeft die fontein gezien. Toch vroeg de Kunsthal zich wel af of het publiek hem nu nog zou kennen, vooral omdat Tinguely zich altijd ver van musea en galeries heeft gehouden. Bischof: „Een bekende uitspraak van hem was: ‘Musea zijn de begraafplaatsen van de kunst’.”

Tinguely wilde met zijn kunst liever de straat op, naar de mensen toe. Zijn ideaal was een begaanbaar kunstwerk. Daar zijn er ook enkele van geweest, maar altijd als tijdelijke expositie. Een voorbeeld is het liggend vrouwenfiguur Hon uit 1966, dat bezoekers konden betreden via een ingang tussen haar benen.

3Lachen mag.

De laatste grote tentoonstellingen van Tinguely in Nederland waren Bewogen Beweging en Dylaby in Het Stedelijk Museum in Amsterdam. Dat was in 1961 en 1962. De kunstwerken moesten door de bezoekers in beweging worden gezet. Critici spraken er destijds schande van: het was ‘een kermisattractie’. Maar het publiek was razend enthousiast, er kwamen 50.000 mensen op af. Liesbeth Brandt Corstius, kunsthistorica en voormalig directeur van het Museum voor Moderne Kunst Arnhem, was een van hen. „Ik vond het fantastisch! Na alle schilderkunst was dit heel bijzonder. Het was leuk, geestig. Ik was zo blij dat je gewoon zo om kunst mocht lachen.”

De Goede van de Kunsthal wijst ook op het tragikomische element in zijn werk. „Tinguely was helemaal niet zo’n vrolijke man. Hij was zich heel bewust was van het absurde van zijn machines.” Absurd, maar ook nutteloos en soms zelf dreigend en angstaanjagend. De Goede: „Tinguely was een vrijbuiter. Hij hield van de Formule 1 en reed zelf ook altijd veel te hard.” In 1957 raakt hij zelfs ernstig gewond, ook verloor hij bevriende coureurs door de autosport. De Goede: „Het was een man die hard leefde, maar zich ook bewust was van de kortheid van het bestaan.”

Zijn Derniere collaboration avec Yves Klein is bijvoorbeeld een hommage aan de vroeg gestorven kunstenaar Klein. En ondanks de gezellige kleuren bepaald niet vrolijk. De bewegingen van het twaalf meter lange sculptuur zijn traag en doelloos. Bischof: „Het ziet het er leuk uit, maar is heel serieus bedoeld.”

4We hebben er meer dan veertig jaar op moeten wachten.

De vraag is wel: waarom nu? Brandt Corstius: „Voor 1961 was het nieuw, echt heel bijzonder. Maar intussen is kinetische kunst links en rechts ingehaald. Je ziet nog wel kunstenaars met tokkende kwakjes enzo, maar dat zijn aftreksels. De actualiteit is non.”

Bischof, die werkt aan een grootschalig kinetisch project in Zwitserland, ziet de urgentie wel. Hij heeft plannen om een kinetisch museum te openen in Nederland, omdat er volgens hem heel veel gebeurt, maar een vast podium ontbreekt. Kinetische kunst is volgens hem tijdloos: „Beweging iets is wat de mens altijd boeit”.

Volgens De Goede is de vraag eerder: waarom nu pas? En dat is vooral het gevolg van lang onderhandelen. „Het Tinguelymuseum zat de eerste tien jaar nogal op z’n werk. Nu hebben ze in Bazel hun zalen nodig voor een grote tentoonstelling over Max Ernst. Verder is het natuurlijk geen sinecure om het hier te krijgen, logistiek gezien en erg kostbaar. En je moet er wel de ruimte voor hebben.”

Brandt Corstius: „Ja, het is natuurlijk wel De Kunsthal. Die moeten maar dóor. Maar ze hebben dit, denk ik, markttechnisch goed gezien. Ik ben benieuwd of mensen het nu weer zo leuk vinden. Waarschijnlijk wel.”

5Aanraken moet.

Dat het stempel ‘leuk’ op Tinguley’s werk is geplakt, komt misschien wel doordat de liefhebbers in 1961 als kind kennis maakten met zijn kunst. Tinguely’s machines maken lawaai, zijn speels en vragen om deelname. Kinderen zijn een perfecte doelgroep.

Net als toen mag het publiek ook in Rotterdam alle machines zelf in werking zetten. Wim Pijbes, de directeur van De Kunsthal, schrijft in de catalogus dat Tinguely zelf tijdens zijn tentoonstellingen regelmatig belde met de directeur van het museum waar hij exposeerde. „Niet om de bezoekersaantallen te vernemen, maar om te horen hoeveel kinderen er kwamen kijken.”

En speciaal voor kinderen is in Rotterdam de ballonnenkamer uit Dylaby nagebouwd. De Goede: „Tinguely had wegens tijd en geldgebrek alleen een paar ventilatoren gebouwd en heel veel ballonnen door een ruimte laten dwarrelen.” Hartstikke leuk natuurlijk om allemaal kapot te laten knallen. De Goede: „Wij hebben 7.000 ballonnen laten maken, ha ha, hopelijk is dat genoeg!”

Tinguely: Alles Beweegt is tot 27 januari te zien. Voor openingstijden, kijk opwww.kunsthal.nlWerk van Mark Bischof is tot 22 oktover te zien in het Teylers Museum in Haarlem.