Eerst geloof opgeven, dan mag je pas meedoen

Hoezo discussie over identiteit? Ze kent het Wilhelmus uit haar hoofd. Leyla Çakir, tot voor kort moskeevoorzitter, voelt zich „meer Nederlander dan de Nederlanders”.

Leyla Cakir Foto V. v.d. Hoogen Weert, 27-07-2007: Leyla Cakir, moskee voorzitster. Foto Vincent van den Hoogen. Hoogen, Vincent van den

Moslims zijn altijd negatief in het nieuws en Leyla Çakir (29) is het spuugzat. Nu gaat de discussie weer over identiteit, aangezwengeld door prinses Máxima die stelde dat dé Nederlander niet bestaat. Net zo min als dé Argentijn. Helemaal mee eens, zegt Leyla Çakir. Maar critici verwijten de prinses dat ze de Nederlandse identiteit niet heeft gevonden. En dan gaat het opeens toch weer over allochtonen, over inburgeren, over integreren en vooral over moslims. De discussie wordt grotendeels gevoerd over haar hoofd en dat van haar generatiegenoten heen.

Leyla Çakir is geboren in Nederland, heeft Turkse ouders, een hbo-opleiding. Ze spreekt met een zachte Limburgse g. Ze werkt als opbouwwerker. Ze was tot dit jaar moskeevoorzitter. Eind dit jaar wordt ze voorzitter van de landelijke moslimvrouwenorganisatie Al Nisa. „Ik heb me altijd geïdentificeerd met Nederlanders. Ik ken het Wilhelmus uit mijn hoofd. Soms vraag ik aan leeftijdgenoten waar ze trots op zijn. Ze weten niets te noemen. Ik wél. Ik voel me vaak meer Nederlander dan de Nederlanders.”

Ze is óók moslim. Ze draagt geen hoofddoek, ze vast en bidt wel. Vier jaar lang was ze voorzitter van de Turkse moskee in Geleen, zeven jaar was ze bestuurslid. Ze was de enige vrouw in die functie.

Moslim én Nederlander zijn kan niet. Tenminste dat gevoel krijgt Leyla Çakir. „Als moslim moet je je geloof opgeven om mee te kunnen doen. Mógen doen. Maar dan zou ik mijn hart uit mijn lijf moeten rukken.” Identificatie met Nederland betekent, zegt ze, dat je je vereenzelvigt met hetgeen eigen is aan Nederland. Ik heb het opgezocht in het woordenboek. „Dat doe ik. Maar mijn identiteit bestaat uit méér.”

Jongeren die het gevoel krijgen dat ze moeten kiezen, kiezen voor de religie, zegt ze. Gisteren bleek uit een rapport van de AIVD dat de radicale islam groeit. Deze jonge ‘salafisten’ zijn antidemocratisch en keren de Nederlandse maatschappij de rug toe. De angst voor radicalisme is reëel, vindt Çakir. Maar door de angst te cultiveren wordt die groep groter. Dat zie je nu gebeuren. Angst en radicalisme gaan hand in hand. Door de angst worden mensen buitengesloten die juist daardoor de kracht uit de religie halen.”

Jongeren, zegt Leyla Çakir, moeten autonoom leren denken en zelfvertrouwen krijgen. Zo jong mogelijk. „Als nu een geleerde kerel op een Marokkaans of Turks jochie afstapt en zegt: ‘ongelovigen zullen branden in de hel’, dan gelooft-ie dat. Hij moet dus zo jong mogelijk leren zelf kritisch na te denken, liefst van hun ouders.” Probleem is, geeft ze toe, dat niet alle jongeren dat van huis uit meekrijgen. Haar eigen ouders zijn analfabeet, vanaf hun zevende jaar werkten ze mee op het land. Haar moeder kwam in 1974 met drie kinderen naar Nederland, drie jaar na haar vader. „Om te overleven.” Leyla werd daar als vierde kind geboren.

„Het lijkt alsof de meeste Nederlanders vinden dat moslims geen bijdrage leveren aan de samenleving. Moslims reageren daarop door zich te wentelen in hun positie van slachtoffer.” Toen ze net moskeebestuurder werd in 1999, ging Leyla Çakir bij alle omwonenden langs. „Ik zei: ‘Jullie kunnen altijd binnenlopen. Als er overlast is of voor een kopje thee.’ Dat deden ze ook.” Daardoor, denkt ze, accepteerde iedereen dat er opeens een moskee kwam in het voormalige Groene-Kruisgebouw in de wijk.

Van moskeeën wordt sinds 11 september 2001 een actieve rol verwacht in de strijd tegen radicalisme. Alle moslims waren verdacht. En moskeeën. „Als je weet dat iemand gevaarlijke dingen van plan is, natuurlijk meld je dat”, zegt Leyla Çakir. „Maar we konden natuurlijk niet elke baard of djellaba melden. Aan het uiterlijk zie je radicale gedachten niet. Radicale jongeren gaan niet naar een moskee. Die zitten op internet, of komen bijeen in een huiskamer.”

Daarnaast kregen de moskeeën een opvoedende taak. ‘Wat doen jullie met de jongeren?’ werd dan het moskeebestuur gevraagd. „Ze verwachtten dat we allerlei activiteiten zouden organiseren voor jongeren – van uitstapjes tot huiswerkbegeleiding. Maar we zijn een moskee. Een gebedshuis. Geen buurthuis.” Voor die taak zijn de meeste moskeebesturen niet toegerust, zegt Çakir. Die besturen, zegt ze, bestaan meestal uit oudere mannen van de eerste generatie, die vaak slecht Nederlands spreken en amper lezen of schrijven. Ze blijven bestuurslid tot hun dood. Het zijn vrijwilligers, in een seculier land worden moskeeën niet bekostigd. Die mensen wordt een irreële verantwoordelijkheid opgelegd.

De school of het buurtwerk moet dan, in godsnaam, die taak maar overnemen, vindt Çakir. Haar leraar lachte haar in haar gezicht uit toen ze in groep acht zei dat ze naar de havo wilde. Huishoudschool was het hoogst haalbare. Haar vader betaalde 350 gulden („terwijl we het echt niet breed hadden”) om haar te laten testen door een onafhankelijk instituut. Ze deed de havo en het hbo op haar sloffen. „Dus als zo’n jongetje zegt: ik wil advocaat worden, lach hem niet uit, maar stimuleer hem. Vraag kinderen: ‘Wat wordt jouw bijdrage aan de Nederlandse maatschappij? Welke positie ga je innemen? Innemen! Niet krijgen! We moeten ze serieus nemen. Zodat ze zich geen slachtoffer kunnen voelen.”