Een Europees Burgerlijk Wetboek is juist goed idee

Onder de kop ‘Europees wetboek via de achterdeur’ wordt gewaarschuwd dat we straks een Europees Burgerlijk Wetboek hebben voordat we er erg in hebben (NRC Handelsblad, 4 oktober). De toonzetting van het artikel wekt de indruk dat zo’n Europees Burgerlijk Wetboek iets heel gevaarlijks zou zijn. Dat is lang niet zeker. Sterker nog, zo’n Europees Burgerlijk Wetboek zou wel eens heel goed kunnen zijn, ook voor het bedrijfsleven. En dat is zeker het geval als het om een ‘optioneel wetboek’ gaat, zoals de Europese Commissie voor ogen staat: een wetboek dat alleen van toepassing is als de contractspartijen daar zelf voor kiezen.

Tegenstanders van een Europees Burgerlijk Wetboek wekken nogal eens de indruk dat de nationale wetgever het natuurlijke niveau van wetgeving is voor het contractenrecht. Er wordt dan een beroep gedaan op het belang van de nationale rechtcultuur. Dat het contractenrecht per land verschilt, is echter een recente ontwikkeling. Tot in de 19de eeuw was het contractenrecht in Europa in grote lijnen gelijk. Of er wordt gesteld dat contractenrecht geregeld moet worden op het niveau dat zo dicht mogelijk bij de burgers ligt. Maar waarom wordt er dan nooit gepleit voor een Noord-Hollands of Amsterdams contractenrecht?

De argumenten tegen een Europees Wetboek zijn in essentie nationalistisch. Ze gaan volledig voorbij aan de realiteit van het internationale handelsverkeer. Grensoverschrijdende overeenkomsten zijn aan de orde van de dag. Zulke overeenkomsten horen niet bij de rechtcultuur van één land.

Stel, u wilt een bedrijfje op internet beginnen en uw muziek, boeken of iets anders aanbieden aan consumenten in heel Europa. Dan zult u algemene voorwaarden moeten opstellen die in overeenstemming zijn met de 25 verschillende stelsels van consumentencontractenrecht in Europa. Dat kost niet alleen handenvol geld aan juridische adviezen. Een goede adviseur zal er zelfs op wijzen dat wat u wilt niet eens mogelijk is. Wat het ene land eist, is soms in een andere lidstaat verboden.

Zou het daarom niet mooi zijn als u de consument de keuze zou kunnen bieden uw producten te kopen volledig naar Europees contractenrecht? Zelfs de grootst mogelijke nationalist kan daar toch moeilijk tegen zijn.

Op zichzelf is zo’n Europees Burgerlijk Wetboek dus helemaal niet zo’n slecht idee. Waar we echter wel voor moeten opletten – en daar heeft het waarschuwende artikel groot gelijk in – is dat zo’n wetboek niet op een schimmige manier tot stand wordt gebracht. Wat nodig is, is een veel democratischer proces zodat we met zijn allen kunnen zorgen dat het wetboek zo goed mogelijk wordt. Een Europees Burgerlijk Wetboek door de voordeur dus.

Er staat namelijk heel wat op het spel. De kernvraag is de mate van contractsvrijheid in het contractenrecht. Hoe groter die is, hoe gunstiger voor grote bedrijven en andere sterke partijen. Die kunnen dan kleine bedrijven en consumenten die voorwaarden opleggen die hun het beste uitkomen.

En zulke voorwaarden zijn niet altijd even redelijk. Voor veel belangrijke zaken in ons leven, zoals voeding, werk, woning en vakantie, zijn wij afhankelijk van contracten. Met de privatisering van overheidsdiensten is dit alleen maar versterkt. Voor gezondheidszorg, energie en vervoer sluiten we tegenwoordig overeenkomsten met zeer grote bedrijven die tegenover hun aandeelhouders gehouden zijn zoveel mogelijk winst te maken. Goede consumentenbescherming is dan wel zo wenselijk.

En hier schuilt het gevaar van het schimmige proces. Zowel de Europese Commissie als de wetenschappers die op dit moment het wetboek voorbereiden, hebben er belang bij dat er een Europees Burgerlijk Wetboek komt. Dat geeft invloed en status. Maar het ontwerp dient wel verdedigd te worden tegenover belanghebbenden in zogenoemde ‘stakeholders meetings’. Die bijeenkomsten worden gedomineerd door het grote bedrijfsleven. In die bijeenkomsten gaat het er soms ruig aan toe. Een vertegenwoordiger van een grote Duitse multinational zag bijvoorbeeld zijn kans schoon om te pleiten voor een betere bescherming van bedrijven tegen consumenten. Het gevaar is dus groot dat er wel een Europees Burgerlijk Wetboek komt, maar één dat consumenten en kleine bedrijven minder bescherming biedt dan het huidige recht in Nederland en andere lidstaten.

Kortom, een Burgerlijk Wetboek is een goed idee, zeker een optioneel wetboek. Zo’n wetboek zal waarschijnlijk veel meer invloed hebben op het dagelijks leven van de burger dan de Europese Grondwet ooit had kunnen hebben. Daarom moeten de Europese burgers nu zelf invloed op de inhoud van het wetboek uitoefenen in een transparant en democratisch wetgevingsproces.

Martijn W. Hesselink is hoogleraar Europees Privaatrecht en directeur van het Amsterdam Centre for the Study of European Contract Law aan de Universiteit van Amsterdam.