De kweekvijvers geven licht

Lange tijd lukte het niet om een garnaal te ‘maken’: alleen opkweken vanuit de larvenfase was mogelijk.

Een Belgisch-Hawaïaans team kreeg het voor elkaar.

Garnalen horen ’s nachts geen licht te geven, maar soms doen ze het toch. Wie in de Aziatische tropen reist en langs die eindeloze kweekvijvers rijdt, ziet het soms. Hoe komt dat?

De garnalenboertjes voeren antibiotica om de beestjes de zes maanden in leven te houden die hij nodig heeft om de larven volgroeid te krijgen voor de verkoop. Bovendien groeien ze dan wat beter. Het mag eigenlijk niet, en Europa en Amerika letten er bij de invoer ook op, maar het gebeurt wel. Want ziektes zijn voor deze boertjes een plaag.

Wie een grote garnaal nuttigt, heeft overigens altijd nog een serieuze kans dat het een gevangen schaaldier is, dus niet gekweekt in een tropische vijver. Een gevangen garnaal – dat klinkt beter, maar is het meestal niet, want zuivere, ziektevrije exemplaren zijn zeldzaam geworden. Ze leven weliswaar veilig, diep op de zeembodem, maar voor reproductie zoeken ze de zoetwaterdelta’s op en die zijn nergens meer schoon. Ook bij de Mekongdelta niet.

Anders dan een kip of een varken dat van a tot z door mensenhand wordt gestuurd, viel een garnaal tot nu toe niet te maken. Ouders konden worden gevangen, hun larven uitgezet in deze kweekvijvers, maar meer manipulatie zat er niet in. En opkweken werd steeds riskanter – ziektes zijn zo’n groot bedrijfsrisico geworden dat de productie van de grote garnaal de laatste jaren gestaag terugloopt. Inmiddels tot onder een wereldomzet van 4 miljard dollar.

Maar dat moet binnenkort allemaal anders worden. In Vietnam, Thailand en India begint de zeventigjarige Belg, Flor Inge, deze maanden met de eerste ‘vermenigvuldigingscentra’. Honderden mensen zullen worden aangetrokken en de regeringen van deze landen hebben al een minderheidsaandeel in deze centra in aanbouw gekocht. Want na vele jaren van geheimzinnig experimenteren staat voor Inge nu vast dat de de zwarte tijgergarnaal – de penaeus monodon – is getemd.

Met waterbiologen en landbouwingenieurs van de universiteit van Gent en het Oceanografisch instituut van Hawaï heeft Flor Inge vanaf zijn 63ste aan de tijgergarnaal gesleuteld. Een kleine veertig miljoen euro die hij had verdiend met vee- en visvoeders, heeft hij eraan gewaagd. Maar na deze zeven aanloopjaren heeft hij voor de ministers van visserij in de drie landen bewezen dat het werkt: gezonde, snel groeiende grote gamba’s en zonder ziektes. Inge op zijn kantoortje in Saigon: „Geen boer heeft hier meer slapeloze nachten te hebben dat volgende morgen alles in zijn vijver dood is.”

Op honderden plaatsen in de wereld liet Inge in 1999 de penaeus monodon vangen. Echt gezond „was er niet één.” Met de beste exemplaren begon hij op Hawaï in speciale kweektanks te kruisen via kunstmatige inseminatie. Monsters vlogen van Hawaï naar Gent en terug.

Waarom Hawaï? Inge: „Omdat er rond Hawaï geen enkele garnaal zit. We moesten absoluut zeker zijn dat we konden experimenteren in een garnaalvrije omgeving, zonder invloeden en besmettingen van buitenaf.” Ruim veertig mensen experimenteerden daar, liepen rond in smetvrije pakken, registreerden genetische veranderingen, kweekten synonieme beestjes en stelde ze vervolgens aan onderscheiden invloeden bloot.

Jaren ging dat zo door, totdat zijn bedrijfje, Moana, vorig najaar bij boertjes in Vietnam met het genetisch materiaal de werkelijkheid simuleerde. Het Vietnamese ministerie van visserij had er wel oren naar, en stapte in. Voor een land met een bruto nationaal product van minder dan 50 miljard euro een kans op een grote sprong voorwaarts en een ideaal vehikel om iets te doen aan armoe onder de plattelandsbevolking.

In Hawaï worden de ideale garnalen gekweekt. Bevrucht zaad van die garnalen wordt overgevlogen naar het vermenigvuldigingscentrum onder Saigon. Daar worden het eerst larven, dan garnalen en vervolgens reproduceren zij zichzelf ook weer en die larven gaan naar de kleine boer.

En dan begint het: terwijl de garnalenboertjes voeren, wordt op Hawaï met hetzelfde genenmateriaal ook gekweekt. Gaat er bij de boer iets mis, dan moet het laboratorium in Gent door vergelijkend onderzoek meteen kunnen vaststellen wat er mis gaat.

Aan genetische manipulatie doet Inge niet. „Zoiets hebben we nu helemaal niet nodig”. Hij rekent nu al op een kwaliteitsverbetering elk jaar van zeven procent.

Misschien dat boeren daardoor geleidelijk aan de penaeus monodon wat langer in zijn vijver gaan houden, als de angst voor ziektes is geweken. Want hoe langer in de vijver, hoe groter en dat geeft een betere prijs.

Volgend jaar wordt de kans serieus dat de grote garnaal op het bord in het restaurant een getemd exemplaar zal zijn. En geleidelijk aan zou dat exemplaar ook wel eens groter kunnen worden: bijvoorbeeld een centimeter of dertig.

Meer over tijgergarnalen op www.tijdvoorvis.nl