Ayaan Hirsi Ali in Amerikaanse ogen

De discussie over de beveiliging van Ayaan Hirsi Ali resoneert hard in de Verenigde Staten. In felle bewoordingen wordt de opstelling van de Nederlandse regering bekritiseerd. Hieronder volgen twee visies op deze zaak uit Amerikaanse kranten: van Salman Rushdie en van de invloedrijke Brits-Amerikaanse columniste Anne Applebaum.

Een lafhartige poging te sussen?

Terwijl u dit leest zit Ayaan Hirsi Ali in een schuilwoning die door gewapende mannen wordt bewaakt. Zij is een van de waardigste, intelligentste, meest geëngageerde voorvechters van de vrijheid van meningsuiting en de gewetensvrijheid van dit moment, en wordt daarom in islamitische gemeenschappen in de hele wereld veracht. De feiten van haar levensloop mogen hier nog wel een keer worden herhaald, want die illustreren hoe slecht wij in het Westen zijn toegerust voor de confrontatie met het gevaar van het islamitisch extremisme.

Hirsi Ali is in 1992 naar Nederland gevlucht uit Somalië, waar zij had geweigerd te trouwen met een man die zij niet kende. Eenmaal in Nederland, waar zij zich schuilhield voor haar familie, werd zij schoonmaakster. Maar deze schoonmaakster sprak Somalisch, Arabisch, Amhaars, Swahili en Engels, en leerde snel Nederlands, dus vond ze spoedig werk als vertaalster voor andere Somalische vluchtelingen, van wie er velen, net als zij zelf, slachtoffer waren van de islam. Deze vrouwen waren aangerand en verminkt en zij waren gedwongen tot een leven van seksuele onderwerping en verplicht moederschap.

Na een studie aan de Universiteit Leiden begon Hirsi Ali in het openbaar te spreken over de onderdrukking van de vrouw binnen de islam. Spoedig daarop werd zij door moslims voor het eerst met de dood bedreigd. Haar veiligheidssituatie werd ten slotte zo kwalijk dat zij in 2002 verhuisde naar de VS. Daar werd zij benaderd door Gerrit Zalm, toen vicepremier van Nederland, die haar aanspoorde zich kandidaat te stellen voor het parlement. Toen Hirsi Ali zich bezorgd toonde over haar veiligheid, verzekerde Zalm haar dat zij altijd, waar en wanneer het ook nodig zou zijn, diplomatieke bescherming zou krijgen. Met die toezegging keerde zij naar Nederland terug, waar zij een zetel in het parlement veroverde en een pleitbezorgster werd van de vrouw, de rechtsstaat en de rede.

Het vervolg is bekend. In 2004 heeft Hirsi Ali met Theo van Gogh samengewerkt aan diens film Submission, waarin het verband werd onderzocht tussen het islamitisch recht en het lijden van miljoenen vrouwen onder de islam. Hierop reageerde de islamitische gemeenschap psychopathisch – wat bevestigde hoe nodig het werk van Hirsi Ali was. Van Gogh, die voor lijfwachten had bedankt, werd in Amsterdam op straat neergeschoten en bijna onthoofd. Een dreigbrief aan Hirsi Ali werd met een slagersmes in zijn borst geprikt.

Hirsi Ali werd onmiddellijk gedwongen onder te duiken. Zij werd maandenlang van de ene schuilwoning naar de andere gebracht, soms meermalen op een dag. Uiteindelijk is zij door de kwestie van haar veiligheid zelfs uit Nederland verdreven. Zij keerde terug naar de Verenigde Staten, waar de Nederlandse regering voor haar bewaking betaalde, totdat die regering vorige week liet weten dat zij Hirsi Ali buiten Nederland niet langer zou beschermen – waarmee zij aan de hele wereld rondbazuinde hoe kwetsbaar Hirsi Ali nu was.

Hirsi Ali is misschien wel de eerste vluchteling uit West-Europa sinds de Holocaust. Als zodanig illustreert zij zowel de kracht als de zwakte van het Westen, de voortreffelijkheid van de open samenleving en de tomeloze energie van de tegenstanders van die samenleving. Zij kent de opgaven waarvoor wij staan in onze strijd tegen de vrouwenhaat en het fanatisme van de islamitische wereld, en zij ondervindt de gevolgen van ons falen dagelijks aan den lijve.

Hirsi Ali heeft, na op eigen houtje in luttele jaren de Verlichting te hebben doorlopen, centimeter voor centimeter de weg onder de loep genomen die wegvoert uit de morele en intellectuele woestenij van de traditionele islam. Zij heeft over haar reis twee verhelderende boeken geschreven, waarvan het jongste, Infidel (Ongelovige), maandenlang een internationale bestseller was. Haar moed kan nauwelijks hoog genoeg worden aangeslagen. Christopher Caldwell schreef hierover in de New York Times: „Voltaire liep niet met ieder woord dat hij zei gevaar een miljard vijanden te maken, vijanden die wisten hoe hij eruitzag en die via internet bliksemsnel informatie konden uitwisselen met mensen die van plan waren hem te vermoorden.’’

Zoals het er nu voorstaat is het besluit van de regering om haar alleen binnen Nederland te beschermen werkelijk de wereld op z’n kop. De Nederlanders hebben geklaagd over de kosten om Hirsi Ali in de VS te beschermen, maar het is veel duurder om haar in Nederland te beschermen, want daar loopt zij veel meer risico.

Dan is er de kwestie van de gebroken beloften: Hirsi Ali is overgehaald om zich kandidaat te stellen voor het parlement en om de zichtbaarste, meest bedreigde zegsvrouw van de rechten van de islamitische vrouw ter wereld te worden, met dien verstande dat zij bescherming zou krijgen zolang het nodig was. Zalm heeft, in zijn hoedanigheid van vicepremier en minister van Financiën, haar die beveiliging zonder voorbehoud toegezegd.

Bijzonder schandalig is dat de Nederlandse premier, Jan Peter Balkenende, Hirsi Ali heeft aangeraden om eenvoudigweg het land te verlaten en heeft geweigerd om haar zelfs maar een week bescherming in het buitenland te bieden, waarin zij fondsen zou kunnen werven om haar beveiliging zelf te regelen. Is dit een lafhartige poging om de plaatselijke islamitische fanatici te sussen? Is het een waarschuwing aan andere Nederlandse dissidenten om geen moeilijkheden te veroorzaken door al te vrijuit te spreken over de islam?

De Nederlandse regering dient te onderkennen dat hier een schandaal op de loer ligt en en dient opnieuw haar verplichting onder ogen te zien om Hirsi Ali de toegezegde beveiliging te bieden.

Niemand verdient meer dan zij de vrijheid van meningsuiting en de gewetensvrijheid die wij in het Westen vanzelfsprekend achten, en niemand staat moediger dan zij voor die vrijheden op de bres.

(Sam Harris, auteur van ‘The end of faith’, en Salman Rushdie, auteur van ‘Middernachtskinderen’ en ‘De duivelsverzen’, in een gezamenlijke brief in de Los Angeles Times)

Overleeft het land dit wel?

Het deel van de wereld dat bekendstaat als het Westen zou weleens voor een vuurproef, en zelfs misschien wel voor een keerpunt kunnen staan. Die vuurproef is deze: hebben vooraanstaande, uitgesproken critici van het islamfundamentalisme, critici die toevallig burgers zijn van Europese landen of de Verenigde Staten, recht op dezelfde vrijheid van meningsuiting die andere burgers van Europese landen en de Verenigde Staten genieten?

Juridisch natuurlijk wel. In de praktijk kunnen ze zeggen wat ze willen – en daar vervolgens om worden vermoord. Dit betekent dat de westerse regeringen een bijzondere en ongewone verantwoordelijkheid voor hen hebben, zoals door velen allang wordt erkend. Het is geen toeval dat de schrijver Salman Rushdie, over wie ayatollah Khomeini op 14 februari 1989 een fatwa uitsprak, nog altijd springlevend is. De details zijn weliswaar nooit bekendgemaakt, maar aangenomen wordt dat Rushdie nog altijd onder een zekere bescherming staat van de Britse politie en geheime dienst, zowel in Groot-Brittannië als daarbuiten. Deze bescherming is volstrekt onomstreden – in juni verleende de koningin Rushdie zelfs het ridderschap – en daardoor heeft die fatwa hem de afgelopen 18 jaar niet verhinderd om te spreken, te schrijven, te publiceren en zelfs meermaals te scheiden en te hertrouwen.

Het geval van Ayaan Hirsi Ali, de Nederlands-Somalische politicus en schrijfster, ligt anders. Hirsi Ali staat onder Nederlandse politiebescherming vanaf 2002, toen haar publieke commentaar op de mishandeling van vrouwen in de Nederlandse moslimgemeenschap en haar aanduiding van zichzelf als ‘seculier’ in Nederland tot doodsbedreigingen leidden.

Hoewel de toenmalige regering haar aanmoedigde om in het land te blijven – en bescherming van haar veiligheid beloofde – sloeg in 2004 de stemming in Nederland om. In dat jaar, pleegde de fanaticus Mohammed B. de laffe moord op Theo Van Gogh, regisseur van een film over de onderdrukking van moslimvrouwen – en stak het slachtoffer een mes in de borst met daaraan een dreigbrief voor Hirsi Ali, die het scenario van de film had geschreven.

De Nederlandse samenleving raakte na de moord op Van Gogh ernstig verdeeld, en is dat nog altijd. Sommige landgenoten van Hirsi Ali besloten dat het tijd werd voor een harde confrontatie over kwesties als de vrouw, de islam en de integratie. De Nederlandse schrijver Leon de Winter, een medestander van Hirsi Ali, spreekt openlijk over het verzuim van zijn land om de moslimimmigranten te integreren, en wijt het probleem aan het Nederlandse ‘schuldcomplex’: „Zodra wij mensen uit de derde wereld hier in ons rijke land lieten komen werken, zagen we hen... zo ongeveer als heilige slachtoffers.”

Anderen willen gewoon dat Hirsi Ali en haar soort voorgoed vertrekken, zodat Nederland verdwijnt uit de krantenkoppen en Amsterdam door terroristen van hun lijstje wordt geschrapt. Anders dan de Britten, die aan het idee gewend zijn geraakt dat verre gebeurtenissen van invloed op hen kunnen zijn, hebben de Nederlanders, in elk geval in deze eeuw, een beperktere blik. Dit verklaart mede waarom de Nederlandse regering in 2006 vanwege een oude immigratiekwestie het staatsburgerschap van Hirsi Ali probeerde te herroepen, en waarom haar buren dat jaar naar de rechter stapten om haar uit haar huis te laten zetten (omdat de veiligheidsdreiging die haar aanwezigheid opleverde een schending van hun mensenrechten zou zijn).

Maar ook al verhuisde zij naar de Verenigde Staten, in haar afwezigheid werd de discussie voortgezet. Vorige week staakte de Nederlandse regering de bekostiging van haar beveiliging, waarop zij noodgedwongen korte tijd naar Nederland terugkeerde.

De opgegeven redenen waren van financiële aard, maar er was duidelijk meer aan de hand. Botweg gesteld vinden velen in Nederland haar te luidruchtig en te publiek in haar veroordeling van het islamfundamentalisme. Ze klinkt niet verzoenend op de moderne Europese manier. Vergelijk haar omschrijving van de islam als „wreed, onverdraagzaam, uit op overheersing van de vrouw” eens met de Duitse rechter die in januari onder verwijzing naar de Koran een moslimvrouw die van haar gewelddadige man wilde scheiden, voorhield dat ze had moeten „verwachten” dat haar man de lijfstraf die zijn godsdienst goedkeurde ook zou toepassen. Hirsi Ali zelf zegt dat ze vaak met zoveel woorden te horen heeft gekregen dat ze zich „haar problemen zelf op de hals gehaald heeft.” Nu zegt de Nederlandse premier openlijk dat ze het zelf maar uit moet zoeken.

Gelukkig is Hirsi Ali alweer terug in de Verenigde Staten, onder permanente, professionele, goed uitgeruste en voorlopig particulier georganiseerde bescherming. Maar deze week spreekt de Nederlandse Tweede Kamer opnieuw over haar status. En opnieuw zullen de Nederlanders worden geconfronteerd met het gegeven dat Hirsi Ali nog altijd een Nederlands staatsburger is, dat de bedreiging van haar leven voor een deel van groeperingen in Nederland komt, dat ze in het buitenland woont omdat de Nederlandse politieke toestand haar daartoe gedwongen heeft, en dat zij, als ze zich uitspreekt, dit ook doet ter verdediging van de Nederlandse waarden.

Of het de Nederlanders nu bevalt of niet – en ik weet zeker dat het de meesten niet bevalt – stopzetting van haar politiebescherming zal de wereld een boodschap sturen: dat de Nederlanders niet meer bereid zijn hun traditie van vrije meningsuiting te beschermen. De gelden zullen wel gevonden worden, en zij overleeft het wel. Maar geldt dit ook voor Nederland?

(Columniste Anne Applebaum, auteur van ‘Gulag’ in de Washington Post.)