Zedigheid kent geen tijd

Nu deze held minister is,

Zal weer de deugd regeeren,

En Satan zal in Nederland

Zich helemaal geneeren.

(Uit De Notenkraker van 26 februari 1911)

‘Fatsoenstoezicht tv-programma’s’ stond er boven een bericht op de voorpagina van De Telegraaf van zaterdag. Het ging over de strijd die minister Plasterk wil aanbinden met tv-programma’s en internetsites vol seks, drugs en geweld: „Er komt veel meer toezicht op tv-programma’s. Kinderen en ouders wordt geleerd verstandig met oude en nieuwe media om te gaan en omroepen moeten een gedragscode opstellen.”

Sympathiek idee, op het eerste gezicht. Onlangs wees de minister in zijn Emancipatienota op de narigheid waar de toenemende vercommercialisering van seks via de media toe kan leiden. Hoewel het verband tussen wat de media vertonen en (seksueel) geweld nooit is aangetoond, kun je er wel degelijk flink misselijk van worden.

Maar dan, wat moet men zich voorstellen bij fatsoenstoezicht? Daar hoort de overheid zich verre van te houden. Kinderbescherming, ja. Meer aandacht in het onderwijs voor seksuele zelfbeschikking, graag. Zonodig opvoedingsondersteuning, alsjeblieft. Aanpak van seksueel geweld en vrouwenhandel, uiteraard. Maar fatsoenstoezicht?: Fuck off!

Excuses voor dit woordgebruik, maar fatsoenstoezicht is smeriger. In Iran en Saoedi-Arabië wordt het door speciale religieuze politiediensten uitgeoefend, zogenaamd om vrouwen te beschermen tegen de wellust van mannelijke belagers, in werkelijkheid, zoals iedereen weet, om de vrouw ondergeschikt te houden en van haar individualiteit te ontdoen. Ik kan geen vertrouwen hebben in een minister die zich bezig wenst te houden met het gevaar van „uitdagend ondergoed voor jonge meisjes in de schappen van het warenhuis”, welke misstand met zoveel woorden in de Emancipatienota wordt gehekeld.

Toen in 1911 de katholieke minister Regout zijn beruchte, anti-emancipatoire, vrouwen onderdrukkende en homo’s discriminerende zedelijkheidswetten introduceerde om te laten zien dat de confessionelen de baas waren geworden in Nederland, dichtte het sociaal-democratische weekblad De Notenkraker: „Geen boekverkoper mag voortaan/ Een juffrouw étaleeren/ Die niet in dertien rokken zit/ En warm in bovenkleeren./ De zinlijkheid der lieve jeugd/ Lijdt anders veel gevaren,/ En daarom heeft een bloote hals/ Ontzettend veel bezwaren.”

De wet-Regout hief ter bestrijding van de zedeloosheid alle bordelen op (wat je niet ziet, bestaat niet), en stelde verder strafbaar: handel in zedenkwetsende artikelen, verspreiding van middelen tot opwekking van abortus en de verspreiding of aanbieding van middelen ter voorkoming van zwangerschap. Dat alles was nodig voor het tegengaan van „ergerlijk zedelijk verval, vooral van ongehuwden, zelfs van betrekkelijk nog zeer jeugdige jongens en meisjes.” De sociaal-democraten hadden hier terecht niets dan spot en hoon voor over. De 12-jarige dienstmeisjes bleven vogelvrij (lees de boeken van Neel Doff er maar op na). Het was niets anders dan hypocrisie, zoals De Notenkraker sneerde: „Maar toch, ons land wordt ‘zedelijk’/ Regout zal niet meer deinzen!/ En als het volk niet deugdzaam wordt,/ ’t Zal beter leren – veinzen.”

Anders dan Regout in zijn tijd beroept Plasterk zich op feministen die bezwaar maken tegen de portrettering van meisjes en vrouwen als lustobject, tegen onhaalbare schoonheidsidealen en de vercommercialisering van het vrouwelijk lichaam in de media. Nu is het waar dat seks het enige mij bekende verschijnsel is waarbij subject en object kunnen samenvallen (misschien een theologische kwestie waar atheïsten als Plasterk en ik nog eens een oplossing voor moeten vinden). Hoe dan ook, het reduceren van de vrouw tot object is een feministisch strijdpunt, maar wat Plasterk impliceert is dat zij geen lust zou mogen opwekken. En dat is het mensonwaardige dogma van orthodoxe gelovigen die vinden dat een vrouw niet openlijk een seksueel wezen mag zijn. Met wellustige hypocrisie zijn zij al eeuwen bezig de zedigheid van meisjes en vrouwen via fatsoenstoezicht, gedrags- en kledingsvoorschriften, sociale controle en de zweep, te waarborgen.

Om de zedenverwildering van de jeugd in al haar verloedering te bewijzen, verwijst de Emancipatienota naar de zogeheten breezercrisis, „tienermeisjes die seksuele handelingen verrichten in ruil voor een drankje” – een hype waar de fatsoenlijke burger over kon huiveren alvorens zich voor een vies filmpje achter zijn computer te zetten. De verontwaardiging over de zogenoemde breezerseks lijkt vooral betrekking te hebben op het betaalmiddel. Als het nou een parelsnoer was, een reis naar de Bahama’s of een huwelijkscontract – ja, dan was er van prostitutie natuurlijk geen sprake, dan was het gewoon een burgerlijke ruil.

Niets nieuws, zegt Prediker, is er onder de zon. Nooit in de geschiedenis heeft de bewaking van de openbare zedigheid ook maar het minste van doen gehad met de emancipatie van vrouwen, eerder is het tegendeel het geval. Waardigheid veronderstelt vrijheid en gelijkheid en heeft niets uitstaande met toezicht op de media of op de kledingrekken in het warenhuis. Als miljoenen mannen op hun computer naar vieze filmpjes kijken, is dat voor de waardigheid van vrouwen minder bedreigend dan de massale verkrachtingspraktijken die een vast bestanddeel zijn van alle oorlogen, wereldwijd en door de eeuwen heen.

Ik betwijfel of de huidige ‘seksualisering van de samenleving’, waarover de Emancipatienota de noodklok luidt, een nieuw verschijnsel is. In tijden en plaatsen waar vrouwen het sterkst worden onderdrukt, is de samenleving het meest geseksualiseerd, omdat daarin vrouwen worden gereduceerd tot hun biologische functies (paren en baren). Waar de overheid bezwaar tegen heeft is de zichtbaarheid van seksualiteit. Toen pornografie uit de taboesfeer werd gehaald, mochten maximaal 49 personen van de toenmalige minister Van Agt een pornobioscoop bezoeken. Vijftig, dat was te massaal. Tegenwoordig bestaan er naar men zegt vier miljoen pornosites. Maar de paniek over dat feit verschilt niet wezenlijk van de bezwaren die in voorgaande periodes de drukpers, de schilderkunst, het toneel en de film hebben opgeroepen: altijd werden die media beschouwd als voertuigen van de duivel, omdat zij zichtbaar maken wat volgens de fatsoensnormen buiten beeld moet blijven.

Fatsoen gaat al snel over in hypocrisie. Wat men niet mag zien of niet wil zien, blijft tóch bestaan zolang vrouwen zich niet in alle opzichten, ook seksueel, als autonome wezens kunnen gedragen, bijvoorbeeld zolang moederschap andere rechten en plichten met zich meebrengt dan vaderschap. Maar in Nederland geldt vrouwelijke autonomie alleen in deeltijd.