Verwarde socialisten

Het leek zo vanzelfsprekend dat Gordon Brown dit najaar vervroegde verkiezingen zou uitschrijven om een persoonlijk én politiek mandaat voor zichzelf te verwerven. Maar de Britse premier durft het toch niet aan.

Volgens analytici heeft hij zich laten leiden door de opiniepeilingen, waarin zijn ster snel daalt ten gunste van oppositieleider David Cameron van de Tories. Volgens een meer psychologische verklaring vindt Brown, als domineeszoon, dat hij zijn positie als premier niet mag beschouwen als een geschenk na tien jaar Blair en dat hij die zelf moet verdienen.

De premier zelf zegt iets anders. De burger zou niet begrijpen waarom juist nu tussentijdse verkiezingen nodig zijn. Het kabinet wijkt op hoofdlijnen immers niet af van de koers van Blair, die in 2005 nog comfortabel werd herkozen. Bovendien is het Verenigd Koninkrijk geen presidentiële republiek. Het premierschap zou dus minder persoonlijk geladen zijn. Brown wil daarom eerst zijn eigen politieke lijn zichtbaar maken voordat hij de kiezer om een mandaat vraagt voor zijn Labour Party.

Deze redenering klinkt ontroerend. Maar ze illustreert in feite de diepgaande problemen waarmee de sociaal-democraten kampen. De zogeheten ‘Derde Weg’ van New Labour is een pad geworden, dat zich amper nog onderscheidt van de andere hoofdstromen in de politiek. Tegelijkertijd wordt de derde weg aan de randen van het spectrum steeds openlijker afgewezen, al is dat door het kiesstelsel in Groot-Brittannië amper zichtbaar.

Labour staat daarin niet alleen. Met uitzondering van Spanje, worstelen bijna overal in het ‘oude’ Europa de sociaal-democraten met zichzelf. De openlijke chaos in de Franse Parti Socialiste (PS) oogt het spectaculairst. Maar dat is ten dele schijn. Historisch gezien is de PS nooit een eenheidspartij geweest, maar veleer een verzameling stromingen die elkaar alleen konden vinden als de machtsvraag aan de orde was.

De groeiende spanningen binnen de Duitse SPD zijn een treffender indicatie voor de toestand van de Europese sociaal-democratie. In de aanloop naar een belangrijk partijcongres eind deze maand heeft vicekanselier Franz Müntefering zich gekeerd tegen partijvoorzitter Kurt Beck. De laatste wil, indachtig de structurele dreiging die uitgaat van de nieuwe partij Die Linke, de moeizame hervormingen uit het ‘rood-groene’ tijdperk-Schröder stopzetten. In dit ontluikende conflict schuilt het dilemma van de sociaal-democratie: kiest ze voor haar emancipatoire programma, gericht op arbeid en ontplooiing, of kiest ze voor een electoraat dat steeds meer naar retorisch-links lonkt. De analogie met de Nederlandse politieke verhoudingen laat zich raden.

De beslissing van Brown om de strijd om de kiezersgunst nu níét aan te gaan, is dan ook niet louter te beoordelen als een tactische afweging van de Britse premier. Ze staat symbool voor de benarde positie waarin nagenoeg alle sociaal-democratische partijen thans verkeren: bekneld tussen programmatische strategie en platte electorale tactiek.