Scherven

De Amsterdamse Anne Neijzen (1963) is een van de winnaars in de serie Duizend Woorden. Regelmatig publiceert de Achterpagina een winnend verhaal.

‘Hoi, Tim.’ Het puberlijf zit voor de tv en likt aan een lekkende raket waarvan het stokje in een blok blauwe kinderklei is vastgeklemd. Een opzwepend Bonanza-deuntje. Zijn tong beweegt als een razende, probeert het smeltende tempo bij te houden; rondom zijn mond de regenboog. Cowboys met lasso’s houden zijn aandacht gevangen. Zijn moeder loopt voor me uit in een mintgroene badjas. De zoom tikt tegen haar knieholten. Ze buigt zich over hem heen, met een vaatdoekje in haar hand.

De ramen aan de voorkant zijn gezandstraald. Het zonlicht filtert er moeizaam doorheen. „Je kunt het net niet zien”, roept ze over haar schouder.

„Wat?”

„Uw huis. Net niet.”

Ze rolt Tim naar de open ruimte tussen de rotan eethoek en het donkergroene leren bankstel. Het magere lichaam van de jongen helt licht naar voren, verzetloos omarmd door twee beugels. Zijn ogen blijven de bewegende beelden volgen en zijn hoofd is nu in een hoek van meer dan 90 graden naar achteren gedraaid. Als mikadostokjes ligt zijn met gel bewerkte haar over zijn hoofd uitgewaaierd. De aftiteling verschijnt op het scherm. John Wayne, Clint Eastwood, Henry Fonda.

„Geef buurman eens een handje.” Ze pakt zijn slappe hand en steekt hem naar voren. Ik wend mijn blik af en kijk naar de voorbijtrekkende namen. Met een plof laat ze zijn hand weer vallen.

„U komt het pakje van de Wehkamp ophalen, toch?”

Ik knik en loop achter haar aan naar de keuken. Op het fornuis staat een pan doorgekookte aardappelen. Van buiten klinkt vogelgekwetter. In de huiskamer is het reclameblok begonnen. Kukident kleefpasta, geeft grip aan uw leven.

„Gaat het een beetje met Tim?” „Ach.” Opgedroogde rivierbeddingen lopen vanaf de neusbrug naar haar mondhoeken. Op het aanrecht ligt een stapeltje kortingsbonnen van de Aldi en het Kruidvat.

„In ieder geval ben je niet verzopen, hè Timmy!” schreeuwt ze tegen een verschoten poster van de Twin Towers. De omringende gebouwen die zijn blijven staan, stonden toen nog in hun schaduw.

„Kopje koffie?”

„Nee, Lotje is alleen thuis. Ik heb maar een paar minu...”

„Ach, ja. Dat kleine engeltje. Ik zie jullie wel eens samen lopen. Hoe oud is ze nu. Vijf?”

„Zes.”

Met haar rechterarm reikt de buurvrouw omhoog in het keukenkastje. De badjas verschuift. Soms is de aanzet van een borst niets meer dan een lijn der verwachting.

„Let maar niet op mij. Ik heb extreem korte armen, erg onhandig. De bovenste plankjes gebruik ik niet. Kan ik net niet bij, ziet u.”

Ik dwing mezelf om niet te kijken. Ze opent het reservoir van het koffiezetapparaat en controleert het waterpeil. Haar gezicht spiegelt verwrongen in het zilver aluminium van de afvalemmer, als ze zich bukt om het oude koffiefilter weg te gooien. Ik moet toch kijken. Haar borsten zijn uitgeput. Het filterzakje is lek en er druipt een spoortje drab van het aanrecht naar de emmer.

„Het pakketje?” help ik haar herinneren.

„Ja, ja, ja. Met dit warme weer moet je een mens niet opjagen.”

Ik heb er spijt van dat ik mijn buurjongen niet heb gestuurd. Hij is achttien en voor vijf euro doet hij alles.

De koelkast opent met een zucht. Terwijl ze een schep suiker met lepeltje en al in de gele mok laat glijden, ruikt ze aan het melkpak.

„Bedorven.”

Ze zet het pak terug in de ijskast en opent de deur naar de tuin. Het gekwetter dat ik steeds op de achtergrond hoorde, is nu oorverdovend.

„Wilt u me even helpen?” Ze loopt naar buiten.

„Waarmee?” Ik ga op de drempel staan.

Op het gras ligt het trillende lijfje van een jonge merel. Zijn oogjes zijn mat geloken.

„Hij is tegen het glas van de volière gevlogen.” Met haar pantoffel duwt ze het bijna-lijkje een stukje weg. „Hij moet worden begraven. Anders gaat het stinken.”

Het is broeierig warm. Mijn overhemd kleeft onder mijn oksels. Ik open het bovenste knoopje.

„Maar hij leeft nog.”

„Dan geeft u hem maar een mep met de achterkant van de schep.”

Ik volg haar ogen en zie het roestige geval tegen de deur van de schuur leunen. De buurvrouw verplaatst telkens haar gewicht van het ene been naar het andere.

„Ik ga even wat aantrekken, als u toch bezig bent.”

Eén klap moet voldoende zijn. Ik graaf een klein kuiltje onder een jonge treurwilg. Het gekwetter in de volière krijgt een paniekerige lading.

Door het raam zie ik Tim. Hij staat nog steeds midden in de kamer, zijn rug naar mij toe. Hij staart naar de verlepte rozen op het behang. Overal staan girafjes. Ik zie het nu pas. Een vitrinekast vol. Een vensterbank vol.

De merel piept zachtjes. Met mijn voet schuif ik het beestje in het kuiltje. De kraaloogjes kijken mij helder aan. Ik dek het lijfje toe met aarde en stamp er stevig op. De felgekleurde kanaries fladderen opgewonden door hun kooi. Tegen het glas. Telkens weer. Ze zijn zo klein dat het geen geluid maakt; zelfs geen doffe plof. Alleen dat hysterische gekrijs.

In de huiskamer duw ik Tim – die met een ruk zijn hoofd opheft – weer voor de tv. Ik pak zijn hand en pomp hem op en neer. „Sorry van daarnet.”

Op het scherm trekt een klein blond jongetje zijn voetbalshirt over zijn hoofd en draait met zijn billen.

„Ik was de beste in karate.” Het is de eerste keer dat ik Tim hoor praten.

„Goed zo, jongen.” Ik leg zijn hand terug op zijn schoot.

Het voetbaljongetje steekt juichend zijn armen in de lucht.

Ik hoor voetstappen op de trap en draai me om. Op de onderste tree staat de buurvrouw. Ze heeft een spijkerbroek aangetrokken en een wit T-shirt. In haar hand heeft ze een grote Wehkamp-enveloppe.

„Ik weet niet wat er in zit, maar het voelt alsof het gebroken is.” Ze reikt me de ingepakte brokstukken aan. „Jammer, ik kan er niets aan doen. Misschien is het nog te lijmen. U moet maar denken, er blijft altijd wel íets van over.”